BWBR0026174
Geldig vanaf 2009-07-29
Artikel 6
Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit plaatsvervangend secretaris-generaal SZW
1. De directeur kan zijn vertegenwoordigingsbevoegdheden in een door hem te bepalen omvang doorverlenen aan onder hem ressorterende functionarissen, met dien verstande dat bevoegdheden met betrekking tot personeelsaangelegenheden slechts kunnen worden doorverleend aan rechtstreeks onder hem ressorterende functionarissen en slechts voor zover het betreft:
a. het opmaken, niet zijnde vaststellen, van een beoordeling van medewerkers;
b. het houden van manager-medewerker gesprekken;
c. verlof van medewerkers;
d. kleine beloningen, niet zijnde gratificaties, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de directeur.
2. In afwijking van het eerste lid kan de directeur bevoegdheden met betrekking tot personeelsaangelegenheden, genoemd in het eerste lid, onderdelen a tot en met d, doorverlenen aan functionarissen die rechtstreeks ressorteren onder rechtstreeks onder hem ressorterende functionarissen, voor zover dit noodzakelijk is vanwege de organisatiestructuur van de directie Bedrijfsvoering en voor zover de plaatsvervangend secretaris-generaal daar schriftelijk mee instemt.
3. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan de directeur, na voorafgaande schriftelijke toestemming van de plaatsvervangend secretaris-generaal, zijn vertegenwoordigingsbevoegdheden doorverlenen aan functionarissen van een ander organisatieonderdeel, mits de betreffende functionaris daarmee schriftelijk instemt.
4. De (door)verlening van (onder-)mandaat, volmacht en machtiging kan uitsluitend bij een schriftelijk besluit geschieden.
a. het opmaken, niet zijnde vaststellen, van een beoordeling van medewerkers;
b. het houden van manager-medewerker gesprekken;
c. verlof van medewerkers;
d. kleine beloningen, niet zijnde gratificaties, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de directeur.
2. In afwijking van het eerste lid kan de directeur bevoegdheden met betrekking tot personeelsaangelegenheden, genoemd in het eerste lid, onderdelen a tot en met d, doorverlenen aan functionarissen die rechtstreeks ressorteren onder rechtstreeks onder hem ressorterende functionarissen, voor zover dit noodzakelijk is vanwege de organisatiestructuur van de directie Bedrijfsvoering en voor zover de plaatsvervangend secretaris-generaal daar schriftelijk mee instemt.
3. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kan de directeur, na voorafgaande schriftelijke toestemming van de plaatsvervangend secretaris-generaal, zijn vertegenwoordigingsbevoegdheden doorverlenen aan functionarissen van een ander organisatieonderdeel, mits de betreffende functionaris daarmee schriftelijk instemt.
4. De (door)verlening van (onder-)mandaat, volmacht en machtiging kan uitsluitend bij een schriftelijk besluit geschieden.