BWBR0026054
Geldig vanaf 2009-10-01
Artikel 40
Wet investeren in jongeren
1. Het college kan het recht op een inkomensvoorziening opschorten indien de jongere te verwijten valt dat hij de voor de vaststelling van het recht op een inkomensvoorziening van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt, dan wel anderszins onvoldoende medewerking verleent aan het onderzoek van het college met betrekking tot zijn recht op een werkleeraanbod of een inkomensvoorziening.
2. Het college doet mededeling van de opschorting aan de jongere en nodigt hem uit binnen een door het college gestelde termijn het verzuim, bedoeld in het eerste lid, te herstellen.
3. Het college kan een besluit tot vaststelling van de inkomensvoorziening herzien of intrekken, indien:
a. het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 30c, tweede of derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van inkomensvoorziening; of
b. anderszins de inkomensvoorziening ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
4. Als na het verstrijken van een periode van drie maanden de opschorting, bedoeld in artikel 20, eerste lid, niet is beëindigd, trekt het college het besluit tot vaststelling van de inkomensvoorziening in met ingang van de dag waarop de opschorting, bedoeld in dat artikel inging. Als de jongere het verzuim, bedoeld in het eerste lid, niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, trekt het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot vaststelling van de inkomensvoorziening in met ingang van de eerste dag waarover het recht op de inkomensvoorziening is opgeschort.
2. Het college doet mededeling van de opschorting aan de jongere en nodigt hem uit binnen een door het college gestelde termijn het verzuim, bedoeld in het eerste lid, te herstellen.
3. Het college kan een besluit tot vaststelling van de inkomensvoorziening herzien of intrekken, indien:
a. het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 30c, tweede of derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van inkomensvoorziening; of
b. anderszins de inkomensvoorziening ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
4. Als na het verstrijken van een periode van drie maanden de opschorting, bedoeld in artikel 20, eerste lid, niet is beëindigd, trekt het college het besluit tot vaststelling van de inkomensvoorziening in met ingang van de dag waarop de opschorting, bedoeld in dat artikel inging. Als de jongere het verzuim, bedoeld in het eerste lid, niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, trekt het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot vaststelling van de inkomensvoorziening in met ingang van de eerste dag waarover het recht op de inkomensvoorziening is opgeschort.