BWBR0025839
Geldig vanaf 2017-05-08
Artikel 2
Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen
1. De Minister kan subsidie per schooljaar verstrekken voor een tegemoetkoming in de kosten van een opleidingsschool of aspirant-opleidingsschool voor de begeleidingskosten van de studenten die hun opleiding voor een groot gedeelte op de werkplek volgen. Hiermee kunnen scholen een opleidingsinfrastructuur in de school inrichten en in stand houden en kosten dekken die gemoeid zijn met de feitelijke begeleiding van de studenten.
2. In aanvulling op het eerste lid, wordt met studenten die hun opleiding voor een groot gedeelte op de werkplek volgen, bedoeld:
a. studenten van een lerarenopleiding in het hoger beroepsonderwijs (bachelor- of masteropleiding), die minimaal 40% van het curriculum in de praktijk volgen,
b. studenten van een eenjarig programma van een hbo-lerarenopleiding op grond van artikel 5.2a, onderdeel b, van de Wet studiefinanciering 2000 (kopopleiding) die minimaal 50% (= 30 studiepunten) van het curriculum in de praktijk volgen,
c. studenten van een universitaire lerarenopleiding (masteropleiding) van 60 studiepunten, die minimaal 40% van het curriculum in de praktijk volgen,
d. studenten van een universitaire lerarenopleiding (masteropleiding) van 120 studiepunten die mede voorbereidt op de bevoegdheid voor het geven van onderwijs in het voorbereidend hoger onderwijs, die minimaal 25% (= 30 studiepunten) van het curriculum in de praktijk volgen,
e. studenten van een universitaire bacheloropleiding die een educatieve minor volgen die gericht is op het behalen van een bevoegdheid voor de theoretische leerweg in het vmbo en de eerste drie leerjaren havo en vwo die bovendien minimaal 15 studiepunten van het curriculum in de praktijk volgen,
f. studenten die op basis van een geschiktheidsverklaring als leraar zijn benoemd of aangesteld (zij-instromers), of
g. studenten die zijn benoemd of aangesteld als leraar en tegelijkertijd een lerarenopleiding volgen met als doel om een hogere of andere bevoegdheid te behalen.
2. In aanvulling op het eerste lid, wordt met studenten die hun opleiding voor een groot gedeelte op de werkplek volgen, bedoeld:
a. studenten van een lerarenopleiding in het hoger beroepsonderwijs (bachelor- of masteropleiding), die minimaal 40% van het curriculum in de praktijk volgen,
b. studenten van een eenjarig programma van een hbo-lerarenopleiding op grond van artikel 5.2a, onderdeel b, van de Wet studiefinanciering 2000 (kopopleiding) die minimaal 50% (= 30 studiepunten) van het curriculum in de praktijk volgen,
c. studenten van een universitaire lerarenopleiding (masteropleiding) van 60 studiepunten, die minimaal 40% van het curriculum in de praktijk volgen,
d. studenten van een universitaire lerarenopleiding (masteropleiding) van 120 studiepunten die mede voorbereidt op de bevoegdheid voor het geven van onderwijs in het voorbereidend hoger onderwijs, die minimaal 25% (= 30 studiepunten) van het curriculum in de praktijk volgen,
e. studenten van een universitaire bacheloropleiding die een educatieve minor volgen die gericht is op het behalen van een bevoegdheid voor de theoretische leerweg in het vmbo en de eerste drie leerjaren havo en vwo die bovendien minimaal 15 studiepunten van het curriculum in de praktijk volgen,
f. studenten die op basis van een geschiktheidsverklaring als leraar zijn benoemd of aangesteld (zij-instromers), of
g. studenten die zijn benoemd of aangesteld als leraar en tegelijkertijd een lerarenopleiding volgen met als doel om een hogere of andere bevoegdheid te behalen.