BWBR0025839
Geldig vanaf 2017-05-08
Artikel 13
Regeling tegemoetkoming kosten opleidingsscholen
1. Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrechtkan de subsidieverlening worden geweigerd of beëindigd indien:
a. de opleidingsschool niet of niet langer minimaal aan de vereiste basiskwaliteit voldoet aan de hand van het oordeel van de NVAO,
b. het aantal studenten dat een opleidingsschool opleidt in de schooljaren 2009–2010 en 2010–2011 lager is dan 40 per schooljaar, in de schooljaren 2011–2012 tot en met 2017–2018 lager is dan 80 per schooljaar, hetzij vanaf het schooljaar 2018–2019 lager is dan 60 per schooljaar,
c. niet of niet langer alle deelnemende scholen voor po, vo en bve, of afdelingen daarbinnen, in de opleidingsschool vallen onder het basistoezicht van de Inspectie van het Onderwijs,
d. niet of niet langer alle deelnemende lerarenopleidingen in de opleidingsschool geaccrediteerd zijn door de NVAO,
e. het subsidieplafond wordt overschreden.
2. De subsidieverlening wordt geweigerd indien niet voldaan is aan de verplichting, bedoeld in artikel 14, tweede lid.
3. De Minister kan voor bepaalde gevallen van het eerste lid afwijken voor zover deze toepassing, gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen, zal leiden tot onbillijkheid van overwegende aard.
a. de opleidingsschool niet of niet langer minimaal aan de vereiste basiskwaliteit voldoet aan de hand van het oordeel van de NVAO,
b. het aantal studenten dat een opleidingsschool opleidt in de schooljaren 2009–2010 en 2010–2011 lager is dan 40 per schooljaar, in de schooljaren 2011–2012 tot en met 2017–2018 lager is dan 80 per schooljaar, hetzij vanaf het schooljaar 2018–2019 lager is dan 60 per schooljaar,
c. niet of niet langer alle deelnemende scholen voor po, vo en bve, of afdelingen daarbinnen, in de opleidingsschool vallen onder het basistoezicht van de Inspectie van het Onderwijs,
d. niet of niet langer alle deelnemende lerarenopleidingen in de opleidingsschool geaccrediteerd zijn door de NVAO,
e. het subsidieplafond wordt overschreden.
2. De subsidieverlening wordt geweigerd indien niet voldaan is aan de verplichting, bedoeld in artikel 14, tweede lid.
3. De Minister kan voor bepaalde gevallen van het eerste lid afwijken voor zover deze toepassing, gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen, zal leiden tot onbillijkheid van overwegende aard.