BWBR0025727
Geldig vanaf 2009-04-23
Artikel 6
Tijdelijke subsidieregeling Innovatieprogramma Mooi Nederland
1. Als subsidiabele kosten worden uitsluitend in aanmerking genomen de gemaakte aan het project toe te rekenen kosten die rechtstreeks betrekking hebben op de uitvoering van de activiteiten die noodzakelijk zijn voor het leveren van een bijdrage aan het thema en die berekend zijn op basis van:
a. de methodiek van de loonkosten vermeerderd met een vaste opslag, waarbij de subsidiabele kosten worden berekend door de volgende te berekenen bedragen bij elkaar op te tellen: 1°. de directe loonkosten per uur, vermenigvuldigd met het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt;
2°. een vaste opslag voor indirecte kosten uitgedrukt in 50% van de loonkosten;
3°. de kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn, en
4°. de aan derden betaalde kosten, of
1°. de directe loonkosten per uur, vermenigvuldigd met het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt;
2°. een vaste opslag voor indirecte kosten uitgedrukt in 50% van de loonkosten;
3°. de kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn, en
4°. de aan derden betaalde kosten, of
b. de methodiek van het vaste uurtarief, waarbij de subsidiabele kosten worden berekend door de volgende te berekenen bedragen bij elkaar op te tellen: 1°. het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt, vermenigvuldigd met € 60,–, in welk bedrag zowel de directe loonkosten als daaraan toegerekende indirecte kosten zijn begrepen;
2°. de kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn, en
3°. de aan derden betaalde kosten.
1°. het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt, vermenigvuldigd met € 60,–, in welk bedrag zowel de directe loonkosten als daaraan toegerekende indirecte kosten zijn begrepen;
2°. de kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn, en
3°. de aan derden betaalde kosten.
2. De directe loonkosten per uur worden berekend door de som van de op jaarbasis berekende bruto loonkosten, de niet-winstafhankelijke emolumenten dan wel de extra verdiensten naast het loon, de werkgeverslasten en de kosten van de secundaire arbeidsvoorwaarden, te delen door 1650, waarbij dat getal staat voor het aantal productieve uren per jaar voor een fulltime dienstverband. Van de 1650 productieve uren kan alleen gemotiveerd worden afgeweken.
3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, geldt voor zover geen loonkosten worden gemaakt, maar niettemin arbeid wordt verricht, voor de berekening van de kosten van die arbeid inclusief de opslag voor indirecte kosten een vast uurtarief van € 35,–.
4. De kosten van aangeschafte apparatuur en verbruikte materialen en hulpmiddelen worden berekend op basis van historische aanschafprijzen.
5. De subsidiabele kosten worden berekend op basis van een voor de subsidieontvanger gebruikelijke en controleerbare methode, die is gebaseerd op bedrijfeconomische grondslagen en normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd en die de subsidieontvanger stelselmatig toepast.
6. Tot de kosten, bedoeld in het eerste lid, behoren in ieder geval niet:
a. kosten die gemaakt zijn vóór de indiening van de aanvraag om subsidie;
b. kosten voor eigen personeel van een gemeente, provincie of waterschap;
c. onvoorziene kosten;
d. plankosten van een uitvoeringsproject;
e. uitvoeringskosten van een idee of plan, en
f. overige projectkosten, voor zover die niet nader gespecificeerd zijn of niet doelmatig worden geacht door de minister.
a. de methodiek van de loonkosten vermeerderd met een vaste opslag, waarbij de subsidiabele kosten worden berekend door de volgende te berekenen bedragen bij elkaar op te tellen: 1°. de directe loonkosten per uur, vermenigvuldigd met het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt;
2°. een vaste opslag voor indirecte kosten uitgedrukt in 50% van de loonkosten;
3°. de kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn, en
4°. de aan derden betaalde kosten, of
1°. de directe loonkosten per uur, vermenigvuldigd met het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt;
2°. een vaste opslag voor indirecte kosten uitgedrukt in 50% van de loonkosten;
3°. de kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn, en
4°. de aan derden betaalde kosten, of
b. de methodiek van het vaste uurtarief, waarbij de subsidiabele kosten worden berekend door de volgende te berekenen bedragen bij elkaar op te tellen: 1°. het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt, vermenigvuldigd met € 60,–, in welk bedrag zowel de directe loonkosten als daaraan toegerekende indirecte kosten zijn begrepen;
2°. de kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn, en
3°. de aan derden betaalde kosten.
1°. het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt, vermenigvuldigd met € 60,–, in welk bedrag zowel de directe loonkosten als daaraan toegerekende indirecte kosten zijn begrepen;
2°. de kosten van het gebruik van apparatuur en de kosten van verbruikte materialen indien deze in de administratie te onderscheiden zijn, en
3°. de aan derden betaalde kosten.
2. De directe loonkosten per uur worden berekend door de som van de op jaarbasis berekende bruto loonkosten, de niet-winstafhankelijke emolumenten dan wel de extra verdiensten naast het loon, de werkgeverslasten en de kosten van de secundaire arbeidsvoorwaarden, te delen door 1650, waarbij dat getal staat voor het aantal productieve uren per jaar voor een fulltime dienstverband. Van de 1650 productieve uren kan alleen gemotiveerd worden afgeweken.
3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, geldt voor zover geen loonkosten worden gemaakt, maar niettemin arbeid wordt verricht, voor de berekening van de kosten van die arbeid inclusief de opslag voor indirecte kosten een vast uurtarief van € 35,–.
4. De kosten van aangeschafte apparatuur en verbruikte materialen en hulpmiddelen worden berekend op basis van historische aanschafprijzen.
5. De subsidiabele kosten worden berekend op basis van een voor de subsidieontvanger gebruikelijke en controleerbare methode, die is gebaseerd op bedrijfeconomische grondslagen en normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd en die de subsidieontvanger stelselmatig toepast.
6. Tot de kosten, bedoeld in het eerste lid, behoren in ieder geval niet:
a. kosten die gemaakt zijn vóór de indiening van de aanvraag om subsidie;
b. kosten voor eigen personeel van een gemeente, provincie of waterschap;
c. onvoorziene kosten;
d. plankosten van een uitvoeringsproject;
e. uitvoeringskosten van een idee of plan, en
f. overige projectkosten, voor zover die niet nader gespecificeerd zijn of niet doelmatig worden geacht door de minister.