BWBR0025039
Geldig vanaf 2009-01-01
Artikel 2
Wet participatiebudget
1. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verstrekt aan het college een uitkering ten behoeve van de kosten van participatievoorzieningen, niet zijnde uitvoeringskosten, voor de doelgroep alsmede voor de voorzieningen, bedoeld in artikel 3, tweede lid.
2. De uitkering wordt vastgesteld in september voorafgaande aan het kalenderjaar waarop zij betrekking heeft.
3. Het bedrag van de uitkering is de som van de uitkomsten van drie berekeningen, elk op basis van een verdeelsleutel die bepaalt hoe het voor het kalenderjaar bij begrotingswet vast te stellen bedrag dat Onze Minister wie het aangaat beschikbaar heeft voor de uitkering wordt verdeeld over de colleges.
4. De verdeelsleutels worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de betaalbaarstelling van de uitkering.
6. Onder bij algemene maatregel van bestuur te bepalen voorwaarden kan een bij die algemene maatregel van bestuur te bepalen gedeelte van de uitkering worden aangewend voor andere kosten ten behoeve van de bevordering van participatie dan de kosten, bedoeld in het eerste lid, alsmede ten behoeve van de in dat lid bedoelde uitvoeringskosten.
2. De uitkering wordt vastgesteld in september voorafgaande aan het kalenderjaar waarop zij betrekking heeft.
3. Het bedrag van de uitkering is de som van de uitkomsten van drie berekeningen, elk op basis van een verdeelsleutel die bepaalt hoe het voor het kalenderjaar bij begrotingswet vast te stellen bedrag dat Onze Minister wie het aangaat beschikbaar heeft voor de uitkering wordt verdeeld over de colleges.
4. De verdeelsleutels worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de betaalbaarstelling van de uitkering.
6. Onder bij algemene maatregel van bestuur te bepalen voorwaarden kan een bij die algemene maatregel van bestuur te bepalen gedeelte van de uitkering worden aangewend voor andere kosten ten behoeve van de bevordering van participatie dan de kosten, bedoeld in het eerste lid, alsmede ten behoeve van de in dat lid bedoelde uitvoeringskosten.