BWBR0024308
Geldig vanaf 2008-08-01
Artikel 2
Besluit mandaat en machtiging inzake in- en uitvoer aan de Belastingdienst/Douane Noord 2008
1. Aan de inspecteur wordt mandaat en machtiging verleend voor het nemen van besluiten en het verrichten van overige handelingen die verband houden met het verlenen van vergunningen op grond van de Sanctiewet 1977, het Besluit strategische goederen, het Algemeen douanebesluiten de Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 7 december 2006 houdende strafbaarstelling van ongeoorloofde overdracht van programmatuur en technologie van strategische goederen door middel van elektronische media, faxapparaten of telefoon(Stcrt. 245) en met het verlenen van ontheffingen op grond van de Uitvoeringswet verdrag chemische wapens.
2. De Minister en de Staatssecretaris van Financiën maken omtrent de uitoefening door de inspecteur van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden nadere afspraken. De inspecteur neemt bij de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden deze afspraken in acht.
3. In het geval de Minister een mededeling aan de inspecteur doet dat een aangelegenheid als bedoeld in het eerste lid niet door hem zal worden behandeld, wordt ten aanzien van die aangelegenheid mandaat en machtiging verleend aan de directeur-generaal van de Buitenlandse Economische Betrekkingen van het Ministerie van Economische Zaken.
4. De inspecteur kan van het aan hem verleende mandaat ondermandaat verlenen aan de onder hem ressorterende teamleiders en hun plaatsvervangers. Het verlenen van ondermandaat alsmede wijziging daarvan, geschiedt schriftelijk en wat de formulering betreft in overeenstemming met de directeur Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Economische Zaken.
5. Een afschrift van besluiten inzake ondermandaat als bedoeld in het vorige lid wordt gezonden aan de secretaris-generaal en aan de directeur Wetgeving en Juridisch Zaken van het Ministerie van Economische Zaken en aan degenen aan wie krachtens het besluit ondermandaat is verleend.
2. De Minister en de Staatssecretaris van Financiën maken omtrent de uitoefening door de inspecteur van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden nadere afspraken. De inspecteur neemt bij de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden deze afspraken in acht.
3. In het geval de Minister een mededeling aan de inspecteur doet dat een aangelegenheid als bedoeld in het eerste lid niet door hem zal worden behandeld, wordt ten aanzien van die aangelegenheid mandaat en machtiging verleend aan de directeur-generaal van de Buitenlandse Economische Betrekkingen van het Ministerie van Economische Zaken.
4. De inspecteur kan van het aan hem verleende mandaat ondermandaat verlenen aan de onder hem ressorterende teamleiders en hun plaatsvervangers. Het verlenen van ondermandaat alsmede wijziging daarvan, geschiedt schriftelijk en wat de formulering betreft in overeenstemming met de directeur Wetgeving en Juridische Zaken van het Ministerie van Economische Zaken.
5. Een afschrift van besluiten inzake ondermandaat als bedoeld in het vorige lid wordt gezonden aan de secretaris-generaal en aan de directeur Wetgeving en Juridisch Zaken van het Ministerie van Economische Zaken en aan degenen aan wie krachtens het besluit ondermandaat is verleend.