BWBR0024175
Geldig vanaf 2008-07-19
Artikel 8
Regeling werk- en rusttijden luchtvaart
1. Indien luchthavenparaatheid onmiddellijk wordt gevolgd door een vliegdienst, wordt die luchthavenparaatheid vanaf het tijdstip van aanmelding volledig meegeteld voor de vliegdienstperiode.
2. Indien de luchthavenparaatheid niet wordt gevolgd door een vliegdienst, dan wordt ten minste een minimumrustperiode in acht genomen overeenkomstig artikel 4.5:4, tweede lid, van het besluit.
3. De maximumduur van elke paraatheid op een andere plaats dan het aangewezen meldpunt overschrijdt een periode van 12 uur niet.
4. De periode tussen het einde van de paraatheid en de aanvang van een volgende periode van paraatheid bedraagt ten minste acht uur.
5. Indien een oproep voor het aanmelden voor een vlucht plaatsvindt binnen drie uur na aanvang van de paraatheid, wordt de vliegdienstperiode vastgesteld overeenkomstig onderdeel 1.1105 of 1.1115 van de verordening.
6. Indien een oproep voor het aanmelden voor een vlucht plaatsvindt na de eerste drie uur van de paraatheid en het tijdstip van aanmelding binnen acht uur na deze oproep plaatsvindt, wordt de maximale vliegdienstperiode, vastgesteld overeenkomstig onderdeel 1.1105 of 1.1115 van de verordening, verkort, afhankelijk van het tijdstip van aanmelding. De verkorting wordt bepaald overeenkomstig de tabel in bijlage B, behorend bij deze regeling.
7. Indien het aanvangstijdstip van een vliegdienst wordt opgeschort, wordt de tijd tussen het oorspronkelijke meldingstijdstip en het werkelijke meldingstijdstip aangemerkt als paraatheid en wordt de vliegdienstperiode gecorrigeerd overeenkomstig de tabel in bijlage B.
8. Per lokale dag is het niet toegestaan langer dan twaalf uur paraat te zijn.
9. Het maximale aantal paraatheidsuren bedraagt 60 in elke periode van zeven opeenvolgende dagen.
10. Per lokale dag wordt niet meer dan één periode van paraatheid opgenomen in een dienstrooster. De in verband met het zevende lid als paraatheid aangemerkte periode wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.
11. Paraatheidsuren als bedoeld in onderdeel 1.1125, onder 2, van de verordening worden voor de helft meegeteld voor het bepalen van de cumulatieve diensturen.
2. Indien de luchthavenparaatheid niet wordt gevolgd door een vliegdienst, dan wordt ten minste een minimumrustperiode in acht genomen overeenkomstig artikel 4.5:4, tweede lid, van het besluit.
3. De maximumduur van elke paraatheid op een andere plaats dan het aangewezen meldpunt overschrijdt een periode van 12 uur niet.
4. De periode tussen het einde van de paraatheid en de aanvang van een volgende periode van paraatheid bedraagt ten minste acht uur.
5. Indien een oproep voor het aanmelden voor een vlucht plaatsvindt binnen drie uur na aanvang van de paraatheid, wordt de vliegdienstperiode vastgesteld overeenkomstig onderdeel 1.1105 of 1.1115 van de verordening.
6. Indien een oproep voor het aanmelden voor een vlucht plaatsvindt na de eerste drie uur van de paraatheid en het tijdstip van aanmelding binnen acht uur na deze oproep plaatsvindt, wordt de maximale vliegdienstperiode, vastgesteld overeenkomstig onderdeel 1.1105 of 1.1115 van de verordening, verkort, afhankelijk van het tijdstip van aanmelding. De verkorting wordt bepaald overeenkomstig de tabel in bijlage B, behorend bij deze regeling.
7. Indien het aanvangstijdstip van een vliegdienst wordt opgeschort, wordt de tijd tussen het oorspronkelijke meldingstijdstip en het werkelijke meldingstijdstip aangemerkt als paraatheid en wordt de vliegdienstperiode gecorrigeerd overeenkomstig de tabel in bijlage B.
8. Per lokale dag is het niet toegestaan langer dan twaalf uur paraat te zijn.
9. Het maximale aantal paraatheidsuren bedraagt 60 in elke periode van zeven opeenvolgende dagen.
10. Per lokale dag wordt niet meer dan één periode van paraatheid opgenomen in een dienstrooster. De in verband met het zevende lid als paraatheid aangemerkte periode wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.
11. Paraatheidsuren als bedoeld in onderdeel 1.1125, onder 2, van de verordening worden voor de helft meegeteld voor het bepalen van de cumulatieve diensturen.