BWBR0024175
Geldig vanaf 2008-07-19
Artikel 4
Regeling werk- en rusttijden luchtvaart
1. Ter uitvoering van artikel 4.5:4, tweede lid, van het besluit, kan de minimumrustperiode op de thuisbasis worden verkort, voor zover:
a. de minimumrustperiode, bedoeld in onderdeel 1.1110, onder 1.1, van de verordening met niet meer dan twee uur wordt verkort;
b. de vliegdienstperiode volgend op een verkorte rustperiode met een overeenkomstig aantal uren wordt verkort, en
c. de rustperiode volgend op de in onderdeel b bedoelde vliegdienstperiode niet korter is dan de minimumrustperiode ingevolge onderdeel 1.1110, onder 1.1, van de verordening, verhoogd met het verschil tussen de verkorte rusttijd en de minimumrusttijd.
2. Ter uitvoering van artikel 4.5:4, tweede lid, van het besluit, kan de minimumrustperiode buiten de thuisbasis worden verkort overeenkomstig de tabel in bijlage A, behorend bij deze regeling.
3. Voor planningsdoeleinden wordt op de vliegdienstperiodes, genoemd in de tabel in bijlage A, een marge van 30 minuten ten opzichte van de maximale vliegdienstperiodes na verkorte rust aangehouden.
4. Een verkorte rustperiode van minder dan 7,5 uur die aanvangt buiten de thuisbasis, alsmede een verkorte rustperiode van minder dan 10 uur die aanvangt op de thuisbasis, wordt beschouwd als grondtijd.
5. Slechts in het geval dat een bemanningslid geen werkzaamheden verricht of aan boord zal verrichten, kan de rustperiode meerdere malen achtereen worden verkort, met dien verstande dat het verschil tussen de verkorte rustperiodes en de minimumrustperiodes ingevolge onderdelen 1.1 en 1.2 van onderdeel 1.1110 van de verordening wordt gecompenseerd na afloop van de laatste dienst.
6. Een tweede lokale nacht kan, in afwijking van onderdeel 1.1095, onder 1.9, van de verordening, aanvangen om 20.00 uur lokale tijd indien de wekelijkse rustperiode, bedoeld in onderdeel 1.1110 van de verordening, ten minste 40 uur bedraagt.
a. de minimumrustperiode, bedoeld in onderdeel 1.1110, onder 1.1, van de verordening met niet meer dan twee uur wordt verkort;
b. de vliegdienstperiode volgend op een verkorte rustperiode met een overeenkomstig aantal uren wordt verkort, en
c. de rustperiode volgend op de in onderdeel b bedoelde vliegdienstperiode niet korter is dan de minimumrustperiode ingevolge onderdeel 1.1110, onder 1.1, van de verordening, verhoogd met het verschil tussen de verkorte rusttijd en de minimumrusttijd.
2. Ter uitvoering van artikel 4.5:4, tweede lid, van het besluit, kan de minimumrustperiode buiten de thuisbasis worden verkort overeenkomstig de tabel in bijlage A, behorend bij deze regeling.
3. Voor planningsdoeleinden wordt op de vliegdienstperiodes, genoemd in de tabel in bijlage A, een marge van 30 minuten ten opzichte van de maximale vliegdienstperiodes na verkorte rust aangehouden.
4. Een verkorte rustperiode van minder dan 7,5 uur die aanvangt buiten de thuisbasis, alsmede een verkorte rustperiode van minder dan 10 uur die aanvangt op de thuisbasis, wordt beschouwd als grondtijd.
5. Slechts in het geval dat een bemanningslid geen werkzaamheden verricht of aan boord zal verrichten, kan de rustperiode meerdere malen achtereen worden verkort, met dien verstande dat het verschil tussen de verkorte rustperiodes en de minimumrustperiodes ingevolge onderdelen 1.1 en 1.2 van onderdeel 1.1110 van de verordening wordt gecompenseerd na afloop van de laatste dienst.
6. Een tweede lokale nacht kan, in afwijking van onderdeel 1.1095, onder 1.9, van de verordening, aanvangen om 20.00 uur lokale tijd indien de wekelijkse rustperiode, bedoeld in onderdeel 1.1110 van de verordening, ten minste 40 uur bedraagt.