BWBR0023852
Geldig vanaf 2008-05-18
Artikel 13
Tijdelijke subsidieregeling korte termijn energieonderzoek
1. De minister wint omtrent de aanvragen om een subsidie voor een project, bestaande uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, waarop niet met toepassing van artikel 12afwijzend wordt beslist het advies in van de adviescommissie.
2. De adviescommissie geeft aan de minister in ieder geval een negatief advies:
a. indien het project onvoldoende bijdraagt aan de doelstelling van de regeling;
b. indien onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische en economische haalbaarheid van het project;
c. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben om het project naar behoren uit te voeren;
d. indien van het project onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn.
3. De adviescommissie rangschikt per groep van aanvragen waarvoor een subsidieplafond geldt de aanvragen waaromtrent zij positief adviseert zodanig, dat een project hoger gerangschikt wordt naarmate het meer bijdraagt aan de criteria omtrent:
a. technologische innovatie
b. duurzaamheid
c. technologische samenwerking
d. economisch perspectief
4. Als criteria voor technologische innovatie, duurzaamheid, technologische samenwerking en economisch perspectief worden respectievelijk vastgesteld:
a. de mate waarin wordt bijgedragen aan technologische vernieuwing of aan wezenlijk nieuwe toepassingen van een bestaande technologie;
b. de mate waarin wordt bijgedragen aan verduurzaming van de energiehuishouding in Nederland;
c. de mate van doelmatigheid en doeltreffendheid van het samenwerkingsverband en de betrokkenheid van kennisinstellingen, en
d. de mate waarin de projectresultaten meer economische waarde creëren in Nederland, wordt aangesloten aan de doelstellingen van de deelnemende ondernemingen en de toepassingsmogelijkheden van de projectresultaten uitgebreider zijn.
5. Bij ministeriële regeling kunnen wegingsfactoren worden vastgesteld voor de criteria, bedoeld in het vierde lid.
2. De adviescommissie geeft aan de minister in ieder geval een negatief advies:
a. indien het project onvoldoende bijdraagt aan de doelstelling van de regeling;
b. indien onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische en economische haalbaarheid van het project;
c. indien onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben om het project naar behoren uit te voeren;
d. indien van het project onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn.
3. De adviescommissie rangschikt per groep van aanvragen waarvoor een subsidieplafond geldt de aanvragen waaromtrent zij positief adviseert zodanig, dat een project hoger gerangschikt wordt naarmate het meer bijdraagt aan de criteria omtrent:
a. technologische innovatie
b. duurzaamheid
c. technologische samenwerking
d. economisch perspectief
4. Als criteria voor technologische innovatie, duurzaamheid, technologische samenwerking en economisch perspectief worden respectievelijk vastgesteld:
a. de mate waarin wordt bijgedragen aan technologische vernieuwing of aan wezenlijk nieuwe toepassingen van een bestaande technologie;
b. de mate waarin wordt bijgedragen aan verduurzaming van de energiehuishouding in Nederland;
c. de mate van doelmatigheid en doeltreffendheid van het samenwerkingsverband en de betrokkenheid van kennisinstellingen, en
d. de mate waarin de projectresultaten meer economische waarde creëren in Nederland, wordt aangesloten aan de doelstellingen van de deelnemende ondernemingen en de toepassingsmogelijkheden van de projectresultaten uitgebreider zijn.
5. Bij ministeriële regeling kunnen wegingsfactoren worden vastgesteld voor de criteria, bedoeld in het vierde lid.