BWBR0023166
Geldig vanaf 2008-01-01
Artikel VII
Wijzigingswet Wet op de jeugdzorg, enz. (gesloten jeugdzorg)
1. Een verzoek om een machtiging als bedoeld in artikel 261, vijfde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboekingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, geldt met ingang van dat tijdstip als een verzoek om een machtiging als bedoeld in artikel 29b van de Wet op de jeugdzorg.
2. Een machtiging als bedoeld in artikel 261, vijfde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboekverleend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, geldt met ingang van dat tijdstip als machtiging als bedoeld in artikel 29b van de Wet op de jeugdzorg.
3. Een machtiging als bedoeld in het tweede lid, wordt ten uitvoer gelegd in een justitiële jeugdinrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, tenzij de stichting die heeft vastgesteld dat de jeugdige is aangewezen op verblijf, heeft vastgesteld dat de jeugdige in een accommodatie als bedoeld in artikel 29k eerste lid, van de Wet op de jeugdzorgmoet worden geplaatst. Ook een machtiging die volgt op een machtiging als bedoeld in het tweede lid, kan, onverminderd het vierde lid en artikel 29k, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg, ten uitvoer worden gelegd in een justitiële jeugdinrichting.
4. Een machtiging als bedoeld in artikel 29b, eerste lid, of artikel 29c, van de Wet op de jeugdzorgkan, in afwijking van artikel 29k, eerste liden onverminderd het tweede lid van dat artikel, tot 1 januari 2010 ten uitvoer worden gelegd in een justitiële jeugdinrichting als bedoeld in het derde lid, indien er geen plaats is in een accommodatie als bedoeld in artikel 29k, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg. In een dergelijk geval is het derde lid van overeenkomstige toepassing.
5. In de gevallen, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, zijn de paragrafen 3, 4en 5 van Hoofdstuk IVA van de Wet op de jeugdzorgniet van toepassing. In die gevallen zijn de bij of krachtens de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingengestelde regels van toepassing.
6. Tot 1 januari 2010 heeft een jeugdige, ten aanzien van wie een machtiging als bedoeld in artikel 29b, eerste lid, en artikel 29c van de Wet op de jeugdzorggeldt, in afwijking van artikel 3 van de Wet op de jeugdzorg, geen aanspraak op verblijf en de gedurende dat verblijf te verlenen jeugdzorg ingevolge de Wet op de jeugdzorgin een accommodatie als bedoeld in artikel 29k van die wet. Van 1 januari 2010 tot 1 januari 2013 heeft een jeugdige, ten aanzien van wie een machtiging als bedoeld in artikel 29b, eerste lid, en artikel 29c van de Wet op de jeugdzorggeldt, in afwijking van artikel 3 van de Wet op de jeugdzorg, een aanspraak jegens het Rijk op verblijf en de gedurende dat verblijf te verlenen jeugdzorg ingevolge de Wet op de jeugdzorgin een accommodatie als bedoeld in artikel 29k van die wet. Bij koninklijk besluit kan een later tijdstip dan dat bedoeld in de eerste en tweede volzin worden bepaald.
7. De zorgaanbieder bij wie, tussen het tijdstip van inwerkingtreding van de wet en het einde van de periode, bedoeld in het zesde lid, tweede volzin, een machtiging als bedoeld in artikel 29b, eerste lid, of artikel 29c van de Wet op de jeugdzorgten uitvoer wordt gelegd, wordt voor het verblijf van de jeugdige en de gedurende dat verblijf aan de jeugdige verleende jeugdzorg door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gesubsidieerd. Bij regeling van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport worden regels gesteld ten aanzien van deze subsidies. Deze regels kunnen betrekking hebben op de onderwerpen, genoemd in artikel 39, eerste lid.
8. Gedurende de periode, bedoeld in het zesde lid, eerste volzin, zijn de artikelen 47en 48van toepassing op verblijf en de gedurende dat verblijf te verlenen jeugdzorg in een accommodatie als bedoeld in artikel 29k van de Wet op de jeugdzorg. Gedurende de periode waarin het zevende lid van toepassing is, neemt de Inspectie jeugdzorg, in afwijking van artikel 47, vierde lid, van de Wet op de jeugdzorgten aanzien van onderzoeken betreffende de jeugdzorg die wordt verleend in een accommodatie als bedoeld in artikel 29k, eerste lid, van die wetde instructies van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in acht en brengt zij, in afwijking van het achtste lid van dat artikel, verslag uit aan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
9. Gedurende de periode waarin het zevende lid van toepassing is berust de zorg die in artikel 57, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorgis opgedragen aan gedeputeerde staten bij Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
2. Een machtiging als bedoeld in artikel 261, vijfde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboekverleend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, geldt met ingang van dat tijdstip als machtiging als bedoeld in artikel 29b van de Wet op de jeugdzorg.
3. Een machtiging als bedoeld in het tweede lid, wordt ten uitvoer gelegd in een justitiële jeugdinrichting als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, tenzij de stichting die heeft vastgesteld dat de jeugdige is aangewezen op verblijf, heeft vastgesteld dat de jeugdige in een accommodatie als bedoeld in artikel 29k eerste lid, van de Wet op de jeugdzorgmoet worden geplaatst. Ook een machtiging die volgt op een machtiging als bedoeld in het tweede lid, kan, onverminderd het vierde lid en artikel 29k, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg, ten uitvoer worden gelegd in een justitiële jeugdinrichting.
4. Een machtiging als bedoeld in artikel 29b, eerste lid, of artikel 29c, van de Wet op de jeugdzorgkan, in afwijking van artikel 29k, eerste liden onverminderd het tweede lid van dat artikel, tot 1 januari 2010 ten uitvoer worden gelegd in een justitiële jeugdinrichting als bedoeld in het derde lid, indien er geen plaats is in een accommodatie als bedoeld in artikel 29k, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg. In een dergelijk geval is het derde lid van overeenkomstige toepassing.
5. In de gevallen, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, zijn de paragrafen 3, 4en 5 van Hoofdstuk IVA van de Wet op de jeugdzorgniet van toepassing. In die gevallen zijn de bij of krachtens de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingengestelde regels van toepassing.
6. Tot 1 januari 2010 heeft een jeugdige, ten aanzien van wie een machtiging als bedoeld in artikel 29b, eerste lid, en artikel 29c van de Wet op de jeugdzorggeldt, in afwijking van artikel 3 van de Wet op de jeugdzorg, geen aanspraak op verblijf en de gedurende dat verblijf te verlenen jeugdzorg ingevolge de Wet op de jeugdzorgin een accommodatie als bedoeld in artikel 29k van die wet. Van 1 januari 2010 tot 1 januari 2013 heeft een jeugdige, ten aanzien van wie een machtiging als bedoeld in artikel 29b, eerste lid, en artikel 29c van de Wet op de jeugdzorggeldt, in afwijking van artikel 3 van de Wet op de jeugdzorg, een aanspraak jegens het Rijk op verblijf en de gedurende dat verblijf te verlenen jeugdzorg ingevolge de Wet op de jeugdzorgin een accommodatie als bedoeld in artikel 29k van die wet. Bij koninklijk besluit kan een later tijdstip dan dat bedoeld in de eerste en tweede volzin worden bepaald.
7. De zorgaanbieder bij wie, tussen het tijdstip van inwerkingtreding van de wet en het einde van de periode, bedoeld in het zesde lid, tweede volzin, een machtiging als bedoeld in artikel 29b, eerste lid, of artikel 29c van de Wet op de jeugdzorgten uitvoer wordt gelegd, wordt voor het verblijf van de jeugdige en de gedurende dat verblijf aan de jeugdige verleende jeugdzorg door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gesubsidieerd. Bij regeling van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport worden regels gesteld ten aanzien van deze subsidies. Deze regels kunnen betrekking hebben op de onderwerpen, genoemd in artikel 39, eerste lid.
8. Gedurende de periode, bedoeld in het zesde lid, eerste volzin, zijn de artikelen 47en 48van toepassing op verblijf en de gedurende dat verblijf te verlenen jeugdzorg in een accommodatie als bedoeld in artikel 29k van de Wet op de jeugdzorg. Gedurende de periode waarin het zevende lid van toepassing is, neemt de Inspectie jeugdzorg, in afwijking van artikel 47, vierde lid, van de Wet op de jeugdzorgten aanzien van onderzoeken betreffende de jeugdzorg die wordt verleend in een accommodatie als bedoeld in artikel 29k, eerste lid, van die wetde instructies van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in acht en brengt zij, in afwijking van het achtste lid van dat artikel, verslag uit aan Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
9. Gedurende de periode waarin het zevende lid van toepassing is berust de zorg die in artikel 57, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorgis opgedragen aan gedeputeerde staten bij Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.