BWBR0023066
Geldig vanaf 2015-12-02
Artikel 34a
Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties
1. Voor de toepassing van de <a href="/wet/BWBR0014194/artikel/32" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 32, eerste lid</a>, <a href="/wet/BWBR0014194/artikel/34" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">34</a>, <a href="/wet/BWBR0014194/artikel/35" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">35</a>en <a href="/wet/BWBR0014194/artikel/36" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">36 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens</a>wordt als aanvrager aangemerkt de migrerende beroepsbeoefenaar ten aanzien van wie de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd.
2. Onze Minister van Justitie en Veiligheid stelt de migrerende beroepsbeoefenaar ten aanzien van wie de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd in kennis van de aanvraag, bedoeld in artikel 34, derde lid, en vraagt zijn instemming met het in behandeling nemen van de aanvraag.
3. Indien de migrerende beroepsbeoefenaar geen instemming verleent, bericht Onze Minister van Justitie en Veiligheid dit aan de bevoegde autoriteit van een andere betrokken staat dan Nederland die de verklaring omtrent het gedrag heeft aangevraagd.
4. Voor het in behandeling nemen van de aanvraag tot afgifte van een verklaring omtrent het gedrag kan Onze Minister van Justitie en Veiligheid van de aanvrager, bedoeld in het eerste lid, een vergoeding van kosten verlangen. <a href="/wet/BWBR0014194/artikel/39" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Artikel 39, tweede en vierde lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens</a>is van overeenkomstige toepassing.
2. Onze Minister van Justitie en Veiligheid stelt de migrerende beroepsbeoefenaar ten aanzien van wie de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd in kennis van de aanvraag, bedoeld in artikel 34, derde lid, en vraagt zijn instemming met het in behandeling nemen van de aanvraag.
3. Indien de migrerende beroepsbeoefenaar geen instemming verleent, bericht Onze Minister van Justitie en Veiligheid dit aan de bevoegde autoriteit van een andere betrokken staat dan Nederland die de verklaring omtrent het gedrag heeft aangevraagd.
4. Voor het in behandeling nemen van de aanvraag tot afgifte van een verklaring omtrent het gedrag kan Onze Minister van Justitie en Veiligheid van de aanvrager, bedoeld in het eerste lid, een vergoeding van kosten verlangen. <a href="/wet/BWBR0014194/artikel/39" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Artikel 39, tweede en vierde lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens</a>is van overeenkomstige toepassing.