BWBR0023026
Geldig vanaf 2008-01-01
Artikel 2
Subsidieregeling zorgopleidingen 2e tranche
1. De Minister stelt jaarlijks een plan vast waarin wordt vastgesteld:
a. de maximale instroom, waarbij onderscheid wordt gemaakt naar zorgopleiding en opleidingsinrichting;
b. de maximale doorstroom bij de zorgopleidingen, genoemd onder B in bijlage 1, waarbij onderscheid wordt gemaakt naar zorgopleiding en opleidingsinrichting.
Ten behoeve van het plan stelt de Minister het College in de gelegenheid om een toewijzingsvoorstel op te stellen.
2. De doorstroom bij zorgopleidingen, genoemd onder A in bijlage 1, wordt per zorgopleiding en opleidingsinrichting door de Minister bepaald conform het aantal opleidingsplaatsen dat op basis van de op uiterlijk 31 oktober van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar juist en volledig ingediende opleidingsschema’s van de assistenten in opleiding is opgenomen in een door de Minister geaccepteerd opleidingsregister van de in bijlage 2genoemde registratiecommissies.
3. Instellingssubsidies worden uitsluitend verstrekt aan gemeentelijke gezondheidsdiensten, jeugdgezondheidszorginstellingen, instellingen voor verpleeghuiszorg, instellingen voor gehandicaptenzorg, instellingen voor geestelijke gezondheidszorg, algemene ziekenhuizen, academische ziekenhuizen, epilepsie-inrichtingen en instellingen voor revalidatie.
4. Ten aanzien van de geestelijke gezondheidszorg zijn uitgezonderd regionale instellingen beschermd wonen, instellingen voor extramurale prestaties waarbij geen behandeling plaatsvindt (dagbesteding) en eerstelijnspsychologische zorg.
5. De instellingssubsidie bedraagt per voltijdse opleidingsplaats het bedrag dat in bijlage 1bij deze regeling vermeld is bij de desbetreffende zorgopleiding.
6. De Minister kan de subsidieverlening wijzigen in verband met de ontwikkeling van het prijspeil of de ontwikkeling in de kosten van arbeidsvoorwaarden.
a. de maximale instroom, waarbij onderscheid wordt gemaakt naar zorgopleiding en opleidingsinrichting;
b. de maximale doorstroom bij de zorgopleidingen, genoemd onder B in bijlage 1, waarbij onderscheid wordt gemaakt naar zorgopleiding en opleidingsinrichting.
Ten behoeve van het plan stelt de Minister het College in de gelegenheid om een toewijzingsvoorstel op te stellen.
2. De doorstroom bij zorgopleidingen, genoemd onder A in bijlage 1, wordt per zorgopleiding en opleidingsinrichting door de Minister bepaald conform het aantal opleidingsplaatsen dat op basis van de op uiterlijk 31 oktober van het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar juist en volledig ingediende opleidingsschema’s van de assistenten in opleiding is opgenomen in een door de Minister geaccepteerd opleidingsregister van de in bijlage 2genoemde registratiecommissies.
3. Instellingssubsidies worden uitsluitend verstrekt aan gemeentelijke gezondheidsdiensten, jeugdgezondheidszorginstellingen, instellingen voor verpleeghuiszorg, instellingen voor gehandicaptenzorg, instellingen voor geestelijke gezondheidszorg, algemene ziekenhuizen, academische ziekenhuizen, epilepsie-inrichtingen en instellingen voor revalidatie.
4. Ten aanzien van de geestelijke gezondheidszorg zijn uitgezonderd regionale instellingen beschermd wonen, instellingen voor extramurale prestaties waarbij geen behandeling plaatsvindt (dagbesteding) en eerstelijnspsychologische zorg.
5. De instellingssubsidie bedraagt per voltijdse opleidingsplaats het bedrag dat in bijlage 1bij deze regeling vermeld is bij de desbetreffende zorgopleiding.
6. De Minister kan de subsidieverlening wijzigen in verband met de ontwikkeling van het prijspeil of de ontwikkeling in de kosten van arbeidsvoorwaarden.