BWBR0022284
Geldig vanaf 2007-12-20
Artikel 31a
Subsidieregeling pieken in de delta 2007
Met betrekking tot een aanvraag om subsidie voor een gebiedsgericht project dat past in één van de actielijnen van het gebiedsgericht programma van het gebied Noord-Nederland gelden de volgende bepalingen:
a. op verzoek kan de Minister toestaan, dat in afwijking van artikel 5, eerste lid, onderdeel a, en tweede en derde lid, als subsidiabele kosten van een gebiedsgericht project in aanmerking worden genomen: 1°. de loonkosten van het bij de uitvoering van het project direct betrokken personeel, berekend op basis van het brutoloon volgens de loonstaat van de betrokken medewerkers, verhoogd met de wettelijke dan wel op grond van een collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van 1650 productieve uren per jaar uitgaande van een voltijds dienstverband;
2°. de algemene indirecte kosten (overhead) die gerelateerd zijn aan de loonkosten of worden berekend op basis van de werkelijke kosten van de uitgevoerde actie volgens een bij de subsidieaanvraag overgelegde berekeningswijze;
1°. de loonkosten van het bij de uitvoering van het project direct betrokken personeel, berekend op basis van het brutoloon volgens de loonstaat van de betrokken medewerkers, verhoogd met de wettelijke dan wel op grond van een collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van 1650 productieve uren per jaar uitgaande van een voltijds dienstverband;
2°. de algemene indirecte kosten (overhead) die gerelateerd zijn aan de loonkosten of worden berekend op basis van de werkelijke kosten van de uitgevoerde actie volgens een bij de subsidieaanvraag overgelegde berekeningswijze;
b. in afwijking van artikel 6, eerste lid, wordt voor het gebiedsgericht programma van het gebied Noord-Nederland ieder begrotingsjaar bij ministeriële regeling een subsidieplafond vastgesteld voor het in dat jaar verlenen van subsidies op grond van deze regeling; daarbij kunnen afzonderlijke subsidieplafonds worden vastgesteld per actielijn of programmalijn en voor bepaalde categorieën gebiedsgerichte projecten;
c. een aanvraag om subsidie wordt in afwijking van artikel 7, eerste en tweede lid, ingediend met gebruikmaking van een formulier overeenkomstig het model dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 5 en gaat vergezeld van de in het formulier genoemde stukken;
d. in afwijking van artikel 8 geeft de minister een beschikking tot subsidieverlening binnen 22 weken na ontvangst van de aanvraag om subsidie;
e. in afwijking van artikel 11, tweede, derde en vijfde lid, verdeelt de minister het beschikbare bedrag in de volgorde van ontvangst van de aanvragen; indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, dan geldt de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften als datum van ontvangst;
f. in afwijking van de artikelen 14 en 15 geschiedt de verstrekking van voorschotten als volgt. Het bedrag aan voorschotten bedraagt in totaal ten hoogste 90 procent van het bij de subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag, waarbij: 1°. het eerste voorschot 30 procent bedraagt van het in de beschikking tot subsidieverlening genoemde maximale subsidiebedrag en niet eerder wordt verstrekt dan nadat de subsidie-ontvanger met de uitvoering van het gebiedsgericht project is begonnen, de subsidie-ontvanger heeft verklaard dat hij voor reeds gemaakte en betaalde kosten heeft voldaan aan de toepasselijke aanbestedingsregels en de subsidie-ontvanger heeft aangegeven op welke wijze hij voldoet of zal voldoen aan de in de beschikking tot subsidieverlening gestelde verplichtingen en
2°. het tweede, derde en vierde voorschot ten hoogste 30, 20 respectievelijk 10 procent bedragen van het in de beschikking tot subsidieverlening genoemde maximale subsidiebedrag en niet eerder worden verstrekt dan nadat de subsidie-ontvanger 30, 60 respectievelijk 80 procent van de subsidiabele kosten heeft gemaakt en betaald;
1°. het eerste voorschot 30 procent bedraagt van het in de beschikking tot subsidieverlening genoemde maximale subsidiebedrag en niet eerder wordt verstrekt dan nadat de subsidie-ontvanger met de uitvoering van het gebiedsgericht project is begonnen, de subsidie-ontvanger heeft verklaard dat hij voor reeds gemaakte en betaalde kosten heeft voldaan aan de toepasselijke aanbestedingsregels en de subsidie-ontvanger heeft aangegeven op welke wijze hij voldoet of zal voldoen aan de in de beschikking tot subsidieverlening gestelde verplichtingen en
2°. het tweede, derde en vierde voorschot ten hoogste 30, 20 respectievelijk 10 procent bedragen van het in de beschikking tot subsidieverlening genoemde maximale subsidiebedrag en niet eerder worden verstrekt dan nadat de subsidie-ontvanger 30, 60 respectievelijk 80 procent van de subsidiabele kosten heeft gemaakt en betaald;
g. een aanvraag om een voorschot wordt in afwijking van artikel 17, eerste lid, ingediend met gebruikmaking van een formulier overeenkomstig het model dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 6 en gaat vergezeld van de in het formulier genoemde stukken;
h. een aanvraag om subsidievaststelling wordt in afwijking van artikel 30, tweede lid, ingediend met gebruikmaking van een formulier overeenkomstig het model dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 7 en gaat vergezeld van de in het formulier genoemde stukken;
i. indien het een gebiedsgericht project betreft waarvoor op grond van deze regeling en door het bestuursorgaan, bedoeld in onderdeel j, subsidie is verleend, is artikel 30, vierde lid, niet van toepassing; de minister kan aan de subsidieverlening voorschriften verbinden die betrekking hebben op door de aanvrager te geven verantwoordingsinformatie;
j. onder een publieke cofinancier wordt mede verstaan het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland, voor zover dat bestuursorgaan ten laste van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling op grond van artikel 6 van het Besluit EFRO programmaperiode 2007–2013 voor een gebiedsgericht project subsidie verstrekt of voor zover dat bestuursorgaan ten laste van het in artikel 13, vijfde lid, van de Regeling EFRO doelstelling 2 programmaperiode 2007–2013 gegeven subsidieplafond voor een gebiedsgericht project subsidie verstrekt.
a. op verzoek kan de Minister toestaan, dat in afwijking van artikel 5, eerste lid, onderdeel a, en tweede en derde lid, als subsidiabele kosten van een gebiedsgericht project in aanmerking worden genomen: 1°. de loonkosten van het bij de uitvoering van het project direct betrokken personeel, berekend op basis van het brutoloon volgens de loonstaat van de betrokken medewerkers, verhoogd met de wettelijke dan wel op grond van een collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van 1650 productieve uren per jaar uitgaande van een voltijds dienstverband;
2°. de algemene indirecte kosten (overhead) die gerelateerd zijn aan de loonkosten of worden berekend op basis van de werkelijke kosten van de uitgevoerde actie volgens een bij de subsidieaanvraag overgelegde berekeningswijze;
1°. de loonkosten van het bij de uitvoering van het project direct betrokken personeel, berekend op basis van het brutoloon volgens de loonstaat van de betrokken medewerkers, verhoogd met de wettelijke dan wel op grond van een collectieve arbeidsovereenkomst verschuldigde opslagen voor sociale lasten, met dien verstande dat wordt uitgegaan van 1650 productieve uren per jaar uitgaande van een voltijds dienstverband;
2°. de algemene indirecte kosten (overhead) die gerelateerd zijn aan de loonkosten of worden berekend op basis van de werkelijke kosten van de uitgevoerde actie volgens een bij de subsidieaanvraag overgelegde berekeningswijze;
b. in afwijking van artikel 6, eerste lid, wordt voor het gebiedsgericht programma van het gebied Noord-Nederland ieder begrotingsjaar bij ministeriële regeling een subsidieplafond vastgesteld voor het in dat jaar verlenen van subsidies op grond van deze regeling; daarbij kunnen afzonderlijke subsidieplafonds worden vastgesteld per actielijn of programmalijn en voor bepaalde categorieën gebiedsgerichte projecten;
c. een aanvraag om subsidie wordt in afwijking van artikel 7, eerste en tweede lid, ingediend met gebruikmaking van een formulier overeenkomstig het model dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 5 en gaat vergezeld van de in het formulier genoemde stukken;
d. in afwijking van artikel 8 geeft de minister een beschikking tot subsidieverlening binnen 22 weken na ontvangst van de aanvraag om subsidie;
e. in afwijking van artikel 11, tweede, derde en vijfde lid, verdeelt de minister het beschikbare bedrag in de volgorde van ontvangst van de aanvragen; indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, dan geldt de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften als datum van ontvangst;
f. in afwijking van de artikelen 14 en 15 geschiedt de verstrekking van voorschotten als volgt. Het bedrag aan voorschotten bedraagt in totaal ten hoogste 90 procent van het bij de subsidieverlening vermelde maximale subsidiebedrag, waarbij: 1°. het eerste voorschot 30 procent bedraagt van het in de beschikking tot subsidieverlening genoemde maximale subsidiebedrag en niet eerder wordt verstrekt dan nadat de subsidie-ontvanger met de uitvoering van het gebiedsgericht project is begonnen, de subsidie-ontvanger heeft verklaard dat hij voor reeds gemaakte en betaalde kosten heeft voldaan aan de toepasselijke aanbestedingsregels en de subsidie-ontvanger heeft aangegeven op welke wijze hij voldoet of zal voldoen aan de in de beschikking tot subsidieverlening gestelde verplichtingen en
2°. het tweede, derde en vierde voorschot ten hoogste 30, 20 respectievelijk 10 procent bedragen van het in de beschikking tot subsidieverlening genoemde maximale subsidiebedrag en niet eerder worden verstrekt dan nadat de subsidie-ontvanger 30, 60 respectievelijk 80 procent van de subsidiabele kosten heeft gemaakt en betaald;
1°. het eerste voorschot 30 procent bedraagt van het in de beschikking tot subsidieverlening genoemde maximale subsidiebedrag en niet eerder wordt verstrekt dan nadat de subsidie-ontvanger met de uitvoering van het gebiedsgericht project is begonnen, de subsidie-ontvanger heeft verklaard dat hij voor reeds gemaakte en betaalde kosten heeft voldaan aan de toepasselijke aanbestedingsregels en de subsidie-ontvanger heeft aangegeven op welke wijze hij voldoet of zal voldoen aan de in de beschikking tot subsidieverlening gestelde verplichtingen en
2°. het tweede, derde en vierde voorschot ten hoogste 30, 20 respectievelijk 10 procent bedragen van het in de beschikking tot subsidieverlening genoemde maximale subsidiebedrag en niet eerder worden verstrekt dan nadat de subsidie-ontvanger 30, 60 respectievelijk 80 procent van de subsidiabele kosten heeft gemaakt en betaald;
g. een aanvraag om een voorschot wordt in afwijking van artikel 17, eerste lid, ingediend met gebruikmaking van een formulier overeenkomstig het model dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 6 en gaat vergezeld van de in het formulier genoemde stukken;
h. een aanvraag om subsidievaststelling wordt in afwijking van artikel 30, tweede lid, ingediend met gebruikmaking van een formulier overeenkomstig het model dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 7 en gaat vergezeld van de in het formulier genoemde stukken;
i. indien het een gebiedsgericht project betreft waarvoor op grond van deze regeling en door het bestuursorgaan, bedoeld in onderdeel j, subsidie is verleend, is artikel 30, vierde lid, niet van toepassing; de minister kan aan de subsidieverlening voorschriften verbinden die betrekking hebben op door de aanvrager te geven verantwoordingsinformatie;
j. onder een publieke cofinancier wordt mede verstaan het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland, voor zover dat bestuursorgaan ten laste van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling op grond van artikel 6 van het Besluit EFRO programmaperiode 2007–2013 voor een gebiedsgericht project subsidie verstrekt of voor zover dat bestuursorgaan ten laste van het in artikel 13, vijfde lid, van de Regeling EFRO doelstelling 2 programmaperiode 2007–2013 gegeven subsidieplafond voor een gebiedsgericht project subsidie verstrekt.