BWBR0022284
Geldig vanaf 2007-12-20
Artikel 11
Subsidieregeling pieken in de delta 2007
1. De Minister beslist voorts, gehoord de programmacommissie van het desbetreffende gebied, afwijzend op een aanvraag indien:
a. het gebiedsgericht project niet past binnen een actielijn;
b. het gebiedsgericht project in verhouding tot de kosten van het gebiedsgericht project onvoldoende bijdraagt aan de verwezenlijking van een programmalijn;
c. de financiële ondersteuning van het gebiedsgericht project door een publieke cofinancier naar verwachting onvoldoende is;
d. gegronde vrees bestaat dat de betrokkenen het gebiedsgericht project niet kunnen financieren;
e. aannemelijk is dat het gebiedsgericht project ook zonder de subsidie zonder belangrijke vertraging zal worden uitgevoerd;
f. van het gebiedsgericht project onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn;
g. onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische en economische haalbaarheid van het gebiedsgericht project;
h. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben om het gebiedsgericht project naar behoren uit te voeren;
i. de aangevraagde vorm van subsidie niet de meest geëigende vorm is .
2. De Minister rangschikt per gebied, gehoord de programmacommissie van het desbetreffende gebied, de aanvragen zodanig dat een gebiedsgericht project hoger gerangschikt wordt naarmate:
a. het gebiedsgericht project een grotere bijdrage levert aan de verwezenlijking van een programmalijn opgenomen in het desbetreffende gebiedsgericht programma;
b. het gebiedsgericht project in verhouding tot de kosten van het gebiedsgericht project een grotere bijdrage levert aan de verwezenlijking van een programmalijn opgenomen in het desbetreffende gebiedsgericht programma.
3. Voor de rangschikking wegen de in het tweede lid genoemde criteria even zwaar.
4. Bij Ministeriële regeling kunnen nadere afwijzingsgronden, nadere criteria op basis waarvan de Minister een gebiedsgericht project hoger rangschikt of nadere aan deze criteria toe te kennen wegingsfactoren worden gesteld.
5. De Minister verdeelt de bedragen die op grond van artikel 6beschikbaar zijn in de volgorde van de rangschikking.
a. het gebiedsgericht project niet past binnen een actielijn;
b. het gebiedsgericht project in verhouding tot de kosten van het gebiedsgericht project onvoldoende bijdraagt aan de verwezenlijking van een programmalijn;
c. de financiële ondersteuning van het gebiedsgericht project door een publieke cofinancier naar verwachting onvoldoende is;
d. gegronde vrees bestaat dat de betrokkenen het gebiedsgericht project niet kunnen financieren;
e. aannemelijk is dat het gebiedsgericht project ook zonder de subsidie zonder belangrijke vertraging zal worden uitgevoerd;
f. van het gebiedsgericht project onvoldoende positieve gevolgen voor de Nederlandse economie te verwachten zijn;
g. onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische en economische haalbaarheid van het gebiedsgericht project;
h. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben om het gebiedsgericht project naar behoren uit te voeren;
i. de aangevraagde vorm van subsidie niet de meest geëigende vorm is .
2. De Minister rangschikt per gebied, gehoord de programmacommissie van het desbetreffende gebied, de aanvragen zodanig dat een gebiedsgericht project hoger gerangschikt wordt naarmate:
a. het gebiedsgericht project een grotere bijdrage levert aan de verwezenlijking van een programmalijn opgenomen in het desbetreffende gebiedsgericht programma;
b. het gebiedsgericht project in verhouding tot de kosten van het gebiedsgericht project een grotere bijdrage levert aan de verwezenlijking van een programmalijn opgenomen in het desbetreffende gebiedsgericht programma.
3. Voor de rangschikking wegen de in het tweede lid genoemde criteria even zwaar.
4. Bij Ministeriële regeling kunnen nadere afwijzingsgronden, nadere criteria op basis waarvan de Minister een gebiedsgericht project hoger rangschikt of nadere aan deze criteria toe te kennen wegingsfactoren worden gesteld.
5. De Minister verdeelt de bedragen die op grond van artikel 6beschikbaar zijn in de volgorde van de rangschikking.