BWBR0022232
Geldig vanaf 2007-07-15
Artikel 3
Regeling interventie melk en zuivelproducten
1. In afwijking van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, wordt als bevoegde autoriteit als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van Verordening 2771/1999aangewezen het COKZ.
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 2, tweede lid, is het COKZ bevoegd tot het verrichten van monsternames en monsteranalyses die op grond van de in artikel 1opgenomen verordeningen moeten plaatsvinden teneinde vast te stellen of aan de aldaar gestelde kwaliteitseisen en samenstellingseisen is voldaan.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid is het RIKILT bevoegd tot het verrichten van monsteranalyses
– als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van Verordening 2771/1999 voor zover het de afwezigheid van melkvreemde vetten en verklikstoffen betreft;
– als bedoeld in de artikelen 37 tot en met 39 van Verordening 1898/2005 voor zover die betrekking hebben op de controle op de afwezigheid van melkvreemde vetten en om na te gaan of de samenstelling van de tussenproducten, als bedoeld in artikel 38, eerste lid, onder b, van verordening 1898/2005, beantwoordt aan de samenstelling die in de registers, als bedoeld in dat artikel onderdeel, is vermeld;
– teneinde vast te stellen of het melkvet voldoet aan de kwaliteitseisen als bedoeld in Bijlage III, eerste tot en met zevende streepje, van Verordening 1898/2005;
– teneinde vast te stellen of het boterconcentraat voldoet aan de kwaliteitseis als bedoeld in Bijlage III, zevende streepje, van Verordening 1898/2005;
– teneinde vast te stellen of het boterconcentraat voldoet aan de kwaliteitseisen als bedoeld in Bijlage XIV, punt 2, van Verordening 1898/2005 voor zover het de afwezigheid van neutraliserende stoffen, antioxidanten, conserveermiddelen en melkvreemde vetten betreft;
– teneinde de samenstelling van de vervaardigde caseïne en caseïnaten als bedoeld in artikel 5, eerste lid, tweede alinea, van Verordening 2921/90 te controleren;
– in voorkomend geval, ter vaststelling of de eindproducten zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a, van Verordening 1898/2005 vallen onder de aldaar genoemde GN-codes;
– als bedoeld in de artikelen 19 en 20 van Verordening 2799/1999.
4. In afwijking van het tweede lid neemt de AID in de in het derde lid bedoelde situaties de monsters alsmede indien de monstername bij het vrieshuis of opslagpand geschiedt.
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 2, tweede lid, is het COKZ bevoegd tot het verrichten van monsternames en monsteranalyses die op grond van de in artikel 1opgenomen verordeningen moeten plaatsvinden teneinde vast te stellen of aan de aldaar gestelde kwaliteitseisen en samenstellingseisen is voldaan.
3. In afwijking van het eerste en tweede lid is het RIKILT bevoegd tot het verrichten van monsteranalyses
– als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van Verordening 2771/1999 voor zover het de afwezigheid van melkvreemde vetten en verklikstoffen betreft;
– als bedoeld in de artikelen 37 tot en met 39 van Verordening 1898/2005 voor zover die betrekking hebben op de controle op de afwezigheid van melkvreemde vetten en om na te gaan of de samenstelling van de tussenproducten, als bedoeld in artikel 38, eerste lid, onder b, van verordening 1898/2005, beantwoordt aan de samenstelling die in de registers, als bedoeld in dat artikel onderdeel, is vermeld;
– teneinde vast te stellen of het melkvet voldoet aan de kwaliteitseisen als bedoeld in Bijlage III, eerste tot en met zevende streepje, van Verordening 1898/2005;
– teneinde vast te stellen of het boterconcentraat voldoet aan de kwaliteitseis als bedoeld in Bijlage III, zevende streepje, van Verordening 1898/2005;
– teneinde vast te stellen of het boterconcentraat voldoet aan de kwaliteitseisen als bedoeld in Bijlage XIV, punt 2, van Verordening 1898/2005 voor zover het de afwezigheid van neutraliserende stoffen, antioxidanten, conserveermiddelen en melkvreemde vetten betreft;
– teneinde de samenstelling van de vervaardigde caseïne en caseïnaten als bedoeld in artikel 5, eerste lid, tweede alinea, van Verordening 2921/90 te controleren;
– in voorkomend geval, ter vaststelling of de eindproducten zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a, van Verordening 1898/2005 vallen onder de aldaar genoemde GN-codes;
– als bedoeld in de artikelen 19 en 20 van Verordening 2799/1999.
4. In afwijking van het tweede lid neemt de AID in de in het derde lid bedoelde situaties de monsters alsmede indien de monstername bij het vrieshuis of opslagpand geschiedt.