BWBR0022224
Geldig vanaf 2007-07-15
Artikel 9
Subsidieregeling maritieme haalbaarheids-, en innovatieprojecten module 2007 van de Experimentele kaderregeling subsidies innovatieprojecten
1. Als subsidiabele kosten worden uitsluitend in aanmerking genomen:
a. de volgende rechtstreeks aan de uitvoering van het onderzoek en de experimentele ontwikkeling toe te rekenen, na de indiening van de aanvraag door de subsidie-ontvanger gemaakte en betaalde kosten: 1°. loonkosten voor betrokken personeel, voor zover deze rechtstreeks voor de uitvoering van het onderzoek noodzakelijk zijn. Het uurloon wordt berekend op basis van 1650 productieve uren per jaar;
2°. de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen;
3°. kosten van het gebruik van bestaande machines en apparatuur van de deelnemers;
4°. kosten van speciaal voor het onderzoek aan te schaffen machines en apparatuur;
5°. aan derden verschuldigde kosten;
6°. kosten van buitenlandstages;
7°. kosten van octrooi-aanvraag van onderzoeksorganisaties en MKB-ondernemers;
8°. kosten inzake kennisoverdracht en verankering;
1°. loonkosten voor betrokken personeel, voor zover deze rechtstreeks voor de uitvoering van het onderzoek noodzakelijk zijn. Het uurloon wordt berekend op basis van 1650 productieve uren per jaar;
2°. de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen;
3°. kosten van het gebruik van bestaande machines en apparatuur van de deelnemers;
4°. kosten van speciaal voor het onderzoek aan te schaffen machines en apparatuur;
5°. aan derden verschuldigde kosten;
6°. kosten van buitenlandstages;
7°. kosten van octrooi-aanvraag van onderzoeksorganisaties en MKB-ondernemers;
8°. kosten inzake kennisoverdracht en verankering;
b. een opslag voor overige algemene kosten van 50 procent van de onder a, onder 1°, bedoelde kosten.
2. Voor de directe loonkosten als bedoeld in het eerste lid, wordt uitgegaan van gemiddelde uurtarieven per categorie bij het onderzoek betrokken personeel.
3. De kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidie-ontvanger die de kosten heeft gemaakt, omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.
4. Indien geen loonkosten als bedoeld in het eerste lid, worden gemaakt, maar niettemin arbeid ten behoeve van het project wordt verricht, wordt voor de berekening van de projectkosten uitgegaan van een uurtarief van € 35.
5. Op verzoek van de subsidieontvanger kan, in plaats van het eerste tot en met het vierde lid, artikel 5 van de kaderregelingworden toegepast.
6. In afwijking van artikel 29, eerste lid, onderdeel c, van de kaderregeling, voert de subsidieontvanger een administratie, gerelateerd aan de kostensoorten, genoemd in artikel 9, waaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze de gemaakte en betaalde kosten zijn af te leiden.
a. de volgende rechtstreeks aan de uitvoering van het onderzoek en de experimentele ontwikkeling toe te rekenen, na de indiening van de aanvraag door de subsidie-ontvanger gemaakte en betaalde kosten: 1°. loonkosten voor betrokken personeel, voor zover deze rechtstreeks voor de uitvoering van het onderzoek noodzakelijk zijn. Het uurloon wordt berekend op basis van 1650 productieve uren per jaar;
2°. de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen;
3°. kosten van het gebruik van bestaande machines en apparatuur van de deelnemers;
4°. kosten van speciaal voor het onderzoek aan te schaffen machines en apparatuur;
5°. aan derden verschuldigde kosten;
6°. kosten van buitenlandstages;
7°. kosten van octrooi-aanvraag van onderzoeksorganisaties en MKB-ondernemers;
8°. kosten inzake kennisoverdracht en verankering;
1°. loonkosten voor betrokken personeel, voor zover deze rechtstreeks voor de uitvoering van het onderzoek noodzakelijk zijn. Het uurloon wordt berekend op basis van 1650 productieve uren per jaar;
2°. de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen;
3°. kosten van het gebruik van bestaande machines en apparatuur van de deelnemers;
4°. kosten van speciaal voor het onderzoek aan te schaffen machines en apparatuur;
5°. aan derden verschuldigde kosten;
6°. kosten van buitenlandstages;
7°. kosten van octrooi-aanvraag van onderzoeksorganisaties en MKB-ondernemers;
8°. kosten inzake kennisoverdracht en verankering;
b. een opslag voor overige algemene kosten van 50 procent van de onder a, onder 1°, bedoelde kosten.
2. Voor de directe loonkosten als bedoeld in het eerste lid, wordt uitgegaan van gemiddelde uurtarieven per categorie bij het onderzoek betrokken personeel.
3. De kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidie-ontvanger die de kosten heeft gemaakt, omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.
4. Indien geen loonkosten als bedoeld in het eerste lid, worden gemaakt, maar niettemin arbeid ten behoeve van het project wordt verricht, wordt voor de berekening van de projectkosten uitgegaan van een uurtarief van € 35.
5. Op verzoek van de subsidieontvanger kan, in plaats van het eerste tot en met het vierde lid, artikel 5 van de kaderregelingworden toegepast.
6. In afwijking van artikel 29, eerste lid, onderdeel c, van de kaderregeling, voert de subsidieontvanger een administratie, gerelateerd aan de kostensoorten, genoemd in artikel 9, waaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze de gemaakte en betaalde kosten zijn af te leiden.