Artikel 1
1. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:
a. verordening: verordening (EG) nr. 1889/2005 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 oktober 2005 betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten (PbEU L 309);
b. inspecteur: de als zodanig aangewezen functionaris, bedoeld in artikel 2, derde lid, onder b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
2. Elke administratieve beslissing verband houdend met deze wet en de daarop berustende bepalingen die door de inspecteur over een bepaald geval wordt genomen en die voor een of meer personen wier identiteit bekend is of kan worden vastgesteld, rechtsgevolgen heeft, wordt aangemerkt als een beschikking in de zin van de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, van de Douanewet.
a. verordening: verordening (EG) nr. 1889/2005 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 oktober 2005 betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten (PbEU L 309);
b. inspecteur: de als zodanig aangewezen functionaris, bedoeld in artikel 2, derde lid, onder b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
2. Elke administratieve beslissing verband houdend met deze wet en de daarop berustende bepalingen die door de inspecteur over een bepaald geval wordt genomen en die voor een of meer personen wier identiteit bekend is of kan worden vastgesteld, rechtsgevolgen heeft, wordt aangemerkt als een beschikking in de zin van de wettelijke bepalingen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, van de Douanewet.