BWBR0021281
Geldig vanaf 2015-04-30
Artikel 2:20
Regeling LNV-subsidies
1. De volgende kosten komen in aanmerking voor de subsidie:
a. kosten gemoeid met het demonstreren van de producten, procedés en technologieën;
b. opleidings- en trainingskosten van de met de uitvoering van het project belaste personen;
c. kosten van leveringen van materiaal en diensten door derden;
d. kosten voor het verstrekken van informatie en het verzorgen van publiciteit;
e. kosten van huur of huurkoop van voor het project noodzakelijke bedrijfsmiddelen, waaronder onroerende zaken;
f. loonkosten van het direct bij de uitvoering van het project betrokken personeel van de subsidieontvanger;
g. kosten van eigen arbeid van de betrokken ondernemer, in afwijking van artikel 2:2, aanhef in samenhang met onderdeel d;
h. uitvoeringskosten, zoals reiskosten en de kosten van de huur van vergaderzalen;
i. kosten van de voor de subsidievaststelling benodigde controleverklaring van een accountant.
2. De volgende kosten komen niet in aanmerking voor de subsidie:
a. overheadkosten;
b. kosten voor de aankoop van bedrijfsmiddelen, met uitzondering van huurkoop;
c. de kosten die betrekking hebben op het kunnen indienen van een voldoende gespecificeerde aanvraag;
d. ten behoeve van de financiering van het project te betalen rente en kosten.
3. Ingeval wordt aangetoond dat een bedrijfsmiddel een noodzakelijk onderdeel is van het demonstratieproject en niet op andere wijze kan worden verkregen dan door de subsidie, is het tweede lid, aanhef in samenhang met onderdeel b, niet van toepassing, met dien verstande dat uitsluitend voor de subsidie in aanmerking komt het bij de aanvraag tot subsidievaststelling aangegeven verschil tussen de aankoopprijs en:
a. de gerealiseerde verkoopprijs, ingeval deze hoger is dan de getaxeerde verkoopprijs zoals deze is vastgesteld voor de datum waarop de uitvoering van het project is voltooid;
b. de getaxeerde verkoopprijs, bedoeld in onderdeel a, in andere gevallen.
a. kosten gemoeid met het demonstreren van de producten, procedés en technologieën;
b. opleidings- en trainingskosten van de met de uitvoering van het project belaste personen;
c. kosten van leveringen van materiaal en diensten door derden;
d. kosten voor het verstrekken van informatie en het verzorgen van publiciteit;
e. kosten van huur of huurkoop van voor het project noodzakelijke bedrijfsmiddelen, waaronder onroerende zaken;
f. loonkosten van het direct bij de uitvoering van het project betrokken personeel van de subsidieontvanger;
g. kosten van eigen arbeid van de betrokken ondernemer, in afwijking van artikel 2:2, aanhef in samenhang met onderdeel d;
h. uitvoeringskosten, zoals reiskosten en de kosten van de huur van vergaderzalen;
i. kosten van de voor de subsidievaststelling benodigde controleverklaring van een accountant.
2. De volgende kosten komen niet in aanmerking voor de subsidie:
a. overheadkosten;
b. kosten voor de aankoop van bedrijfsmiddelen, met uitzondering van huurkoop;
c. de kosten die betrekking hebben op het kunnen indienen van een voldoende gespecificeerde aanvraag;
d. ten behoeve van de financiering van het project te betalen rente en kosten.
3. Ingeval wordt aangetoond dat een bedrijfsmiddel een noodzakelijk onderdeel is van het demonstratieproject en niet op andere wijze kan worden verkregen dan door de subsidie, is het tweede lid, aanhef in samenhang met onderdeel b, niet van toepassing, met dien verstande dat uitsluitend voor de subsidie in aanmerking komt het bij de aanvraag tot subsidievaststelling aangegeven verschil tussen de aankoopprijs en:
a. de gerealiseerde verkoopprijs, ingeval deze hoger is dan de getaxeerde verkoopprijs zoals deze is vastgesteld voor de datum waarop de uitvoering van het project is voltooid;
b. de getaxeerde verkoopprijs, bedoeld in onderdeel a, in andere gevallen.