BWBR0021092
Geldig vanaf 2012-10-29
Artikel 6a
Vrijstellingsregeling LVR
Het uitvoeren van een vlucht met een vliegtuig buiten de daglichtperiode, bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel a, van het Luchtverkeersreglementis toegestaan, indien:
a. de vlucht wordt uitgevoerd in het kader van de vliegopleiding voor het verkrijgen van een CPL(A) als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart;
b. de vlucht noodzakelijk is om te voldoen aan de opleidingsvereisten die krachtens het in onderdeel a bedoelde artikel zijn gesteld aan het verkrijgen van het CPL;
c. wordt voldaan aan de volgende voorschriften: 1. voor aanvang van de vlucht wordt een vliegplan ingediend;
2. voor het uitvoeren van de vlucht is een tweezijdige radioverbinding tot stand gebracht met de betrokken luchtverkeersdienst en wordt voortdurend op de aangewezen radiofrequentie geluisterd;
3. het vliegzicht bedraagt ten minste 8 km en de afstand tot de wolken ten minste 1500 m horizontaal en 300 m (1000 voet) verticaal;
4. de vlucht wordt uitgevoerd op ten minste 300 m (1000 voet) boven de hoogste hindernis binnen een afstand van 8 km van de gegiste positie van het vliegtuig, tenzij een lagere hoogte noodzakelijk is om op te stijgen van of te landen op een luchthaven of naderings- of vertrekprocedures alsmede luchtverkeerspatronen uit te voeren.
1. voor aanvang van de vlucht wordt een vliegplan ingediend;
2. voor het uitvoeren van de vlucht is een tweezijdige radioverbinding tot stand gebracht met de betrokken luchtverkeersdienst en wordt voortdurend op de aangewezen radiofrequentie geluisterd;
3. het vliegzicht bedraagt ten minste 8 km en de afstand tot de wolken ten minste 1500 m horizontaal en 300 m (1000 voet) verticaal;
4. de vlucht wordt uitgevoerd op ten minste 300 m (1000 voet) boven de hoogste hindernis binnen een afstand van 8 km van de gegiste positie van het vliegtuig, tenzij een lagere hoogte noodzakelijk is om op te stijgen van of te landen op een luchthaven of naderings- of vertrekprocedures alsmede luchtverkeerspatronen uit te voeren.
a. de vlucht wordt uitgevoerd in het kader van de vliegopleiding voor het verkrijgen van een CPL(A) als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart;
b. de vlucht noodzakelijk is om te voldoen aan de opleidingsvereisten die krachtens het in onderdeel a bedoelde artikel zijn gesteld aan het verkrijgen van het CPL;
c. wordt voldaan aan de volgende voorschriften: 1. voor aanvang van de vlucht wordt een vliegplan ingediend;
2. voor het uitvoeren van de vlucht is een tweezijdige radioverbinding tot stand gebracht met de betrokken luchtverkeersdienst en wordt voortdurend op de aangewezen radiofrequentie geluisterd;
3. het vliegzicht bedraagt ten minste 8 km en de afstand tot de wolken ten minste 1500 m horizontaal en 300 m (1000 voet) verticaal;
4. de vlucht wordt uitgevoerd op ten minste 300 m (1000 voet) boven de hoogste hindernis binnen een afstand van 8 km van de gegiste positie van het vliegtuig, tenzij een lagere hoogte noodzakelijk is om op te stijgen van of te landen op een luchthaven of naderings- of vertrekprocedures alsmede luchtverkeerspatronen uit te voeren.
1. voor aanvang van de vlucht wordt een vliegplan ingediend;
2. voor het uitvoeren van de vlucht is een tweezijdige radioverbinding tot stand gebracht met de betrokken luchtverkeersdienst en wordt voortdurend op de aangewezen radiofrequentie geluisterd;
3. het vliegzicht bedraagt ten minste 8 km en de afstand tot de wolken ten minste 1500 m horizontaal en 300 m (1000 voet) verticaal;
4. de vlucht wordt uitgevoerd op ten minste 300 m (1000 voet) boven de hoogste hindernis binnen een afstand van 8 km van de gegiste positie van het vliegtuig, tenzij een lagere hoogte noodzakelijk is om op te stijgen van of te landen op een luchthaven of naderings- of vertrekprocedures alsmede luchtverkeerspatronen uit te voeren.