BWBR0020922
Geldig vanaf 04-01-2007
Artikel 2:1
Regeling innovatieve financiële instrumenten en immateriële activa
1. Tot kernkapitaal als bedoeld in artikel 91 van het Besluit wordt gerekend elk instrument dat tot het eigen vermogen van een financiële onderneming behoort, daaronder begrepen het via consolidatie van een groepsmaatschappij in het geconsolideerde vermogen opgekomen ‘belang van derden’, en dat voorts aan de volgende voorwaarden voldoet:
a. het instrument is geplaatst en volgestort;
b. eventuele preferenties zijn niet-cumulatief;
c. het instrument verschaft de financiële onderneming de mogelijkheid om op continue basis verliezen te dekken;
d. het instrument is op permanente basis door derden verstrekt;
e. het instrument is achtergesteld in rang bij depositohouders, gewone crediteuren en gewone achtergestelde schulden van de financiële onderneming;
f. aan het instrument zijn door de financiële onderneming zelf of door een verbonden partij geen garanties of andere afspraken gekoppeld die de rangorde van de kapitaalverschaffing ten opzichte van andere schuldeisers verbeteren; en
g. een eventuele call-optie is slechts uitoefenbaar op initiatief van de emittent, na een minimale duur van 5 jaar en met toestemming van DNB.
2. Aan de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is uitsluitend voldaan indien de houders van de preferente instrumenten geen recht of mogelijkheid hebben om een gepasseerde dividend- of couponbetaling, anders dan op de wijze voorzien in artikel 2:9, op een later tijdstip in te halen.
3. Op de naleving van de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, zijn de artikelen 2:4, tweede lid, en 2:5, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
4. De toestemming, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, wordt uitsluitend verleend indien vervangende financiering aanwezig is of komt, in de vorm van een instrument van gelijke of betere kwaliteit. In afwijking van de vorige volzin, wordt de toestemming eveneens verleend indien DNB van oordeel is dat de omvang van het resterende vermogen van de betrokken financiële onderneming voldoende is ter dekking van haar risico’s.
a. het instrument is geplaatst en volgestort;
b. eventuele preferenties zijn niet-cumulatief;
c. het instrument verschaft de financiële onderneming de mogelijkheid om op continue basis verliezen te dekken;
d. het instrument is op permanente basis door derden verstrekt;
e. het instrument is achtergesteld in rang bij depositohouders, gewone crediteuren en gewone achtergestelde schulden van de financiële onderneming;
f. aan het instrument zijn door de financiële onderneming zelf of door een verbonden partij geen garanties of andere afspraken gekoppeld die de rangorde van de kapitaalverschaffing ten opzichte van andere schuldeisers verbeteren; en
g. een eventuele call-optie is slechts uitoefenbaar op initiatief van de emittent, na een minimale duur van 5 jaar en met toestemming van DNB.
2. Aan de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is uitsluitend voldaan indien de houders van de preferente instrumenten geen recht of mogelijkheid hebben om een gepasseerde dividend- of couponbetaling, anders dan op de wijze voorzien in artikel 2:9, op een later tijdstip in te halen.
3. Op de naleving van de voorwaarde, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, zijn de artikelen 2:4, tweede lid, en 2:5, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.
4. De toestemming, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, wordt uitsluitend verleend indien vervangende financiering aanwezig is of komt, in de vorm van een instrument van gelijke of betere kwaliteit. In afwijking van de vorige volzin, wordt de toestemming eveneens verleend indien DNB van oordeel is dat de omvang van het resterende vermogen van de betrokken financiële onderneming voldoende is ter dekking van haar risico’s.
- Citeren als
- Art. 2:1
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0020922
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl