BWBR0020917
Geldig vanaf 2023-07-01
Artikel 25
Regeling Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling
1. Bij de samenvoeging van het vereist eigen vermogen per risicofactor als bedoeld in artikel 24tot het totale vereist eigen vermogen wordt uitgegaan van de volgende correlaties:
a. tussen het aandelen- en vastgoedrisico enerzijds en het renterisico anderzijds: een correlatie ρ1 2 van 0,40 indien het scenario voor het renterisico is gebaseerd op een rentedaling en nihil indien wordt uitgegaan van een rentestijging;
b. tussen de risico’s die zijn onderscheiden bij het aandelen- en vastgoedrisico: een correlatie ρ’ van 0,75;
c. tussen het renterisico enerzijds en het kredietrisico anderzijds: een correlatie ρ1 5 van 0,40 indien het scenario voor het renterisico is gebaseerd op een rentedaling en nihil indien wordt uitgegaan van een rentestijging;
d. tussen het aandelen- en vastgoedrisico enerzijds en het kredietrisico anderzijds: een correlatie ρ2 5 van 0,50;
e. tussen de risico’s die zijn onderscheiden voor het valutarisico: een correlatie van 0,50 tussen valuta in ontwikkelde markten; een correlatie van 0,75 tussen valuta in opkomende markten en een correlatie van 0,25 tussen het valutarisico voor ontwikkelde markten enerzijds en het valutarisico voor opkomende markten anderzijds; en
f. tussen de overige risico’s: een correlatie van 0.
2. Voor de berekeningen, bedoeld in het eerste lid, worden de in artikel 2 van bijlage 3opgenomen formules en de in dat onderdeel beschreven procedures gebruikt.
a. tussen het aandelen- en vastgoedrisico enerzijds en het renterisico anderzijds: een correlatie ρ1 2 van 0,40 indien het scenario voor het renterisico is gebaseerd op een rentedaling en nihil indien wordt uitgegaan van een rentestijging;
b. tussen de risico’s die zijn onderscheiden bij het aandelen- en vastgoedrisico: een correlatie ρ’ van 0,75;
c. tussen het renterisico enerzijds en het kredietrisico anderzijds: een correlatie ρ1 5 van 0,40 indien het scenario voor het renterisico is gebaseerd op een rentedaling en nihil indien wordt uitgegaan van een rentestijging;
d. tussen het aandelen- en vastgoedrisico enerzijds en het kredietrisico anderzijds: een correlatie ρ2 5 van 0,50;
e. tussen de risico’s die zijn onderscheiden voor het valutarisico: een correlatie van 0,50 tussen valuta in ontwikkelde markten; een correlatie van 0,75 tussen valuta in opkomende markten en een correlatie van 0,25 tussen het valutarisico voor ontwikkelde markten enerzijds en het valutarisico voor opkomende markten anderzijds; en
f. tussen de overige risico’s: een correlatie van 0.
2. Voor de berekeningen, bedoeld in het eerste lid, worden de in artikel 2 van bijlage 3opgenomen formules en de in dat onderdeel beschreven procedures gebruikt.