BWBR0020611
Geldig vanaf 2017-10-01
Artikel 31
Wet inburgering
1. Onze Minister legt een bestuurlijke boete op aan de inburgeringsplichtige die de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c, niet binnen de in artikel 7b, eerste lid, genoemde termijn, of de met toepassing van artikel 7b, derde lid, of van de krachtens artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, gestelde regels verlengde termijn, heeft behaald.
2. In afwijking van het eerste lid, legt Onze Minister geen boete op, indien bij of krachtens <a href="/wet/BWBR0011823/artikel/18" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 18 van de Vreemdelingenwet 2000</a>de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt afgewezen dan wel bij of krachtens <a href="/wet/BWBR0011823/artikel/19" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 19 van die wet</a>de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt ingetrokken.
2. In afwijking van het eerste lid, legt Onze Minister geen boete op, indien bij of krachtens <a href="/wet/BWBR0011823/artikel/18" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 18 van de Vreemdelingenwet 2000</a>de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt afgewezen dan wel bij of krachtens <a href="/wet/BWBR0011823/artikel/19" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 19 van die wet</a>de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt ingetrokken.