Besluit prudentieel toezicht financiële groepen Wft
Hoofdstuk 1
Algemene bepalingen
Artikel 2
Artikel 2a
a. adequate procedures met betrekking tot de kapitaaltoereikendheid om alle bestaande materiële risico’s te bepalen en te meten en het eigen vermogen naar behoren af te stemmen op de risico’s;
b. gedegen rapportage- en jaarrekeningsystemen, met het oog op de bepaling, meting, bewaking en beheersing van de intragroepsovereenkomsten en -posities en de risicoconcentratie.
2. De onderneming beschikt tevens met het oog op het risicobeheer, bedoeld in artikel 3:269a, eerste lid, onderdeel a, van de wet, over:
a. een gedegen bestuur en beheer, waarin is voorzien in goedkeuring en periodieke evaluatie van de strategieën en het beleid door de passende bestuursorganen op het niveau van het financiële conglomeraat met betrekking tot alle risico’s die zij aangaan;
b. een adequaat kapitaaltoereikendheidsbeleid om te anticiperen op de gevolgen van de bedrijfsstrategie van de gereglementeerde entiteiten in het financieel conglomeraat voor het risicoprofiel en de kapitaaltoereikendheid, bedoeld in artikel 3:296 van de wet;
c. adequate procedures om te waarborgen dat de risicobewakingssystemen van de gereglementeerde entiteiten in het financieel conglomeraat goed geïntegreerd zijn in hun organisatie en dat alle maatregelen zijn genomen om te waarborgen dat de systemen die worden toegepast in alle ondernemingen die onder het aanvullende toezicht vallen met elkaar in overeenstemming zijn, zodat de risico’s op het niveau van het financiële conglomeraat kunnen worden gemeten, bewaakt en beheerst.
Hoofdstuk 2
Geconsolideerd toezicht op banken, beleggingsondernemingen, financiële holdings en gemengde financiële holdings
Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 3:280, vierde lid, 3:280b, derde lid en 3:280c, tweede lid, van de wet
Artikel 3
Artikel 4
2. Onder significante intragroepsovereenkomsten of -posities als bedoeld in artikel 3:280, derde lid, van de wetworden verstaan overeenkomsten of posities die een door de Nederlandsche Bank vast te stellen drempel, gerelateerd aan de aanwezige solvabiliteit, te boven gaan. Alvorens de drempel vast te stellen, voert de Nederlandsche Bank overleg met de betrokken Nederlandse beleggingsonderneming of Nederlandse bank. De Nederlandsche Bank stelt geen kwalitatieve of andere kwantitatieve drempels vast.
3. De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de categorieën overeenkomsten en posities die in de rapportage worden betrokken en de rapportage.
4. De in het derde lid bedoelde regels hebben uitsluitend betrekking op:
a. het model van de staat;
b. de reikwijdte van toepassing van de staat en de mate van detaillering van de in te vullen gegevens; deze omvatten geen uitbreiding of nadere rubricering van de staat;
c. de waardering van de posten overeenkomstig de waarderingsmethoden die de financiële onderneming in haar jaarrekening toepast;
d. de te hanteren valuta en rekeneenheid;
e. de afronding; en
f. de termijn waarbinnen de rapportage wordt verstrekt; met dien verstande dat deze niet korter is dan noodzakelijk voor de uitoefening van het toezicht op de naleving van hoofdstuk 6 van het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet.
Artikel 4.01
a. een opgave van de naam, het adres, het emailadres en het telefoonnummer van de holding;
b. een opgave van de rechtsvorm, de statutaire zetel en statutaire naam van de holding en een gewaarmerkt afschrift van de statuten van de holding;
c. indien de holding is ingeschreven in het handelsregister, een opgave van het nummer van inschrijving;
d. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank kan beoordelen of wordt voldaan aan hetgeen ingevolge artikel 3:273a, eerste lid, onderdeel a, van de wet is bepaald met betrekking tot de interne regelingen en een verdeling van de taken binnen de groep;
e. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank kan beoordelen of wordt voldaan aan hetgeen ingevolge artikel 3:273a, eerste lid, onderdeel b, van de wet is bepaald met betrekking tot de organisatiestructuur van de groep;
f. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank kan beoordelen of wordt voldaan aan hetgeen ingevolge artikel 3:273a, tweede lid, van de wet is bepaald met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid van de holding bepaalt;
g. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank kan beoordelen of wordt voldaan aan artikel 3:100, eerste lid, aanhef en onderdeel a tot en met f, van de wet indien de aanvraag een holding betreft die een gekwalificeerde deelneming in een bank houdt of voornemens is te houden; en
h. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank kan beoordelen of voldaan wordt aan hetgeen ingevolge artikelen 3:271 en 3:272 van de wet is bepaald met betrekking tot de geschiktheid en betrouwbaarheid van de personen die het dagelijks beleid van de holding bepalen.
2. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, zijn:
a. een beschrijving van de organisatiestructuur en de verdeling van taken binnen de groep waarvan de holding deel uitmaakt waarmee de naleving van de prudentiële vereisten op geconsolideerde of gesubconsolideerde basis wordt geborgd, waaronder begrepen de verdeling van taken tussen de dochterinstellingen; en
b. een beschrijving van het beleid waarmee de naleving van de prudentiële vereisten op geconsolideerde of gesubconsolideerde basis binnen de groep wordt geborgd en gehandhaafd en waarmee conflicten binnen de groep worden voorkomen of beheerst.
3. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, zijn:
a. een beschrijving van de organisatiestructuur van de groep waarvan de holding deel uitmaakt, waaruit de locatie en het type activiteiten van alle entiteiten in de groep en de positie en de rol van de holding naar voren komt; en
b. een beschrijving van de zeggenschapsstructuur binnen de groep.
4. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel g, zijn:
a. een opgave van de omvang van de gekwalificeerde deelneming;
b. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank kan beoordelen of de betrouwbaarheid van de aanvrager of de houder van een verklaring van geen bezwaar die op grond van zijn gekwalificeerde deelneming het beleid van de bank zou kunnen bepalen of mede bepalen of zou bepalen of medebepalen; en
c. bescheiden waaruit de financiële positie van de aanvrager of houder van de verklaring van geen bezwaar blijken.
5. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, zijn:
a. een opgave van de naam, de geboortedatum, de geboorteplaats, nationaliteit, het privé-adres, het telefoonnummer en de functie;
b. een curriculum vitae;
c. een kopie van een geldig identiteitsbewijs;
d. een opgave van referenten;
e. voor de beoordeling van de geschiktheid van de personen die het dagelijks beleid van de holding bepalen, een opgave van de relevante diploma’s; en
f. voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de personen die het dagelijks beleid van de holding bepalen, gegevens met betrekking tot antecedenten, bedoeld in bijlage A, behorend bij artikel 6 van het Besluit prudentiële regels Wft.
6. Het eerste lid, onderdeel g, is niet van toepassing indien de holding reeds beschikt over een of meerdere verklaringen van geen bezwaar voor de gekwalificeerde deelneming in de bank tenzij de Nederlandsche Bank besluit dat een redelijke aanleiding bestaat tot een nieuwe beoordeling van de gegevens als bedoeld in dat onderdeel.
7. Het eerste lid, onderdeel h, met betrekking tot artikel 3:271 van de wetis niet van toepassing indien de beoordeling een persoon betreft wiens geschiktheid als persoon die het dagelijks beleid van die holding bepaald voor de toepassing van de wetdoor een toezichthouder reeds is vastgesteld, tenzij de Nederlandsche Bank besluit dat een redelijke aanleiding bestaat tot een nieuwe beoordeling van de gegevens als bedoeld in dat onderdeel.
8. Het eerste lid, onderdeel h, met betrekking tot artikel 3:272 van de wetis niet van toepassing indien de beoordeling een persoon betreft wiens betrouwbaarheid voor de toepassing van de wetdoor een toezichthouder reeds is vastgesteld, tenzij de Nederlandsche Bank besluit dat een redelijke aanleiding bestaat tot een nieuwe beoordeling als bedoeld in artikel 3:9, tweede lid van de wet.
9. De Nederlandsche Bank kan in aanvulling op de gegevens, bedoeld in het eerste lid, andere gegevens van de holding, bedoeld in artikel 3:280a van de wet, verlangen indien die gegevens nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag om goedkeuring, bedoeld in artikel 3:280b van de wet.
Artikel 4.02
a. een opgave van de naam, het adres, het emailadres en het telefoonnummer van de holding;
b. een opgave van de rechtsvorm, de statutaire zetel en statutaire naam van de holding en een gewaarmerkt afschrift van de statuten van de holding;
c. indien de holding is ingeschreven in het handelsregister, een opgave van het nummer van inschrijving;
d. een beschrijving van de activiteiten van de holding;
e. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank kan vaststellen dat de holding niet is aangewezen als een af te wikkelen entiteit in een van de af te wikkelen groepen van de groep waarvan de holding deel uitmaakt als bedoeld in artikel 3:280c, eerste lid, onderdeel b, van de wet;
f. gegevens op basis waarvan de Nederlandsche Bank kan vaststellen dat de holding geen bestuurs-, operationele of financiële beslissingen neemt die invloed hebben op de groep of op de dochterondernemingen van de groep indien dat banken, beleggingsondernemingen in de zin van de verordening kapitaalvereisten of financiële instellingen zijn; en
g. een opgave van de naam, het adres, het emailadres en het telefoonnummer van de bank, als bedoeld in artikel 3:280c, eerste lid, van de wet die deel uitmaakt van dezelfde groep als de holding die verantwoordelijk is voor de naleving van de vereisten die gelden op geconsolideerde basis binnen de groep.
2. De Nederlandsche Bank kan in aanvulling op de gegevens, bedoeld in het eerste lid, andere gegevens van de holding bedoeld in artikel 3:280c van de wetverlangen indien die gegevens nodig zijn voor de beoordeling van de aanvraag om ontheffing van goedkeuring bedoeld in dat artikel.
Hoofdstuk 2a
Aanvullend toezicht op Nederlandse verzekeraars in een verzekeringsrichtlijngroep
Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 3:288a, eerste en tweede lid, 3:288b, derde lid, 3:288e, tweede lid, en 3:288f, tweede lid, van de wet
Afdeling 2a.1
Algemene bepalingen
Artikel 4a
Afdeling 2a.2
Financiële positie
Artikel 4b
2. De verzekeraar of holding maakt voor de berekening, bedoeld in het eerste lid, gebruik van methode 1 (standaardmethode op basis van consolidatie van jaarrekeningen), bedoeld in artikel 230 van de richtlijn solvabiliteit II, tenzij de groepstoezichthouder het gebruik van methode 2 (alternatieve methode op basis van aftrek en aggregatie), bedoeld in artikel 233 van de richtlijn solvabiliteit II, of een combinatie van methode 1 en methode 2 voorschrijft vanwege het feit dat de uitsluitende toepassing van methode 1 ongepast zou zijn.
3. De verzekeraar of holding kan voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste van de verzekeringsrichtlijngroep slechts gebruik maken van een intern model, indien daartoe overeenkomstig artikel 231, eerste lid, van de richtlijn solvabiliteit II bij de groepstoezichthouder een aanvraag is ingediend, en de aanvraag overeenkomstig dat artikel is ingewilligd.
4. Indien de Nederlandsche Bank groepstoezichthouder is, neemt zij een besluit over de aanvraag, bedoeld in het derde lid, overeenkomstig artikel 231, eerste tot en met zesde lid, van de richtlijn solvabiliteit II en met inachtneming van de artikelen 343 tot en met 345, 348 en 349 van de verordening solvabiliteit II.
5. De in het eerste lid bedoelde berekening geschiedt met inachtneming van titel II, hoofdstukken I en II, van de verordening solvabiliteit II. Daarbij kan de Nederlandsche Bank de verzekeraar met zetel in een staat die geen lidstaat is, toestaan om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 227, eerste lid, tweede alinea, van de richtlijn solvabiliteit II, indien zij van oordeel is dat de solvabiliteitsregeling van de betrokken staat die geen lidstaat is, gelijkwaardig is aan de solvabiliteitsregeling ingevolge titel I, hoofdstuk VI, van de richtlijn solvabiliteit II of indien de Europese Commissie de solvabiliteitsregeling ingevolge artikel 227, vierde of zevende lid, van de richtlijn solvabiliteit II als gelijkwaardig heeft aangemerkt.
6. Op de in het eerste lid bedoelde berekening zijn de overgangsmaatregelen, bedoeld in artikel 308 ter, zestiende lid en zeventiende lid, eerste en tweede alinea, van de richtlijn solvabiliteit II, van toepassing dan wel van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 2a.3
Kapitaalopslag en andere maatregelen
Artikel 4c
2. Indien toepassing van het eerste lid niet passend zou zijn, kan de Nederlandsche Bank in afwijking van het eerste lid eisen dat de verzekeraar zijn solvabiliteitskapitaalvereiste berekent op basis van de standaardformule en zo nodig in de in artikel 37, eerste lid, onderdelen a en c, van de richtlijn solvabiliteit II bedoelde gevallen een kapitaalopslag toepassen.
Artikel 4ca
2. Indien toepassing van het eerste lid niet passend zou zijn, kan de Nederlandsche Bank in afwijking van het eerste lid eisen dat de verzekeraar zijn solvabiliteitskapitaalvereiste berekent op basis van de standaardformule.
3. Indien de dochteronderneming, bedoeld in het eerste lid, haar solvabiliteitskapitaalvereiste berekent op basis van de standaardformule en de Nederlandsche Bank van oordeel is dat de omstandigheden, bedoeld in artikel 238, derde lid, van de richtlijn solvabiliteit II zich voordoen, kan de Nederlandsche Bank een onderset van de parameters, genoemd in dat lid, die kenmerkend zijn voor die dochteronderneming voorschrijven of in de in artikel 37 van de richtlijn bedoelde gevallen een kapitaalopslag toepassen.
Artikel 4d
Afdeling 2a.4
Groepen met gecentraliseerd risicobeheer
Artikel 4e
2. De moederonderneming informeert de groepstoezichthouder en de Nederlandsche Bank indien niet langer aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 236, eerste lid, onderdelen b tot en met d, van de richtlijn solvabiliteit II is voldaan. In dat geval, of indien de groepstoezichthouder daarom verzoekt op grond van een verrichte verificatie, presenteert de moederonderneming een plan om binnen een passende termijn opnieuw aan al die voorwaarden te voldoen.
3. De toepassing van de artikelen 238 en 239 van de richtlijn solvabiliteit II eindigt overeenkomstig artikel 240, eerste lid, van de richtlijn, indien niet langer aan alle voorwaarden is voldaan en de groepstoezichthouder heeft vastgesteld dat het in het tweede lid bedoelde plan ontoereikend is of niet binnen de gestelde termijn wordt uitgevoerd.
Afdeling 2a.5
Rapportages
Artikel 4f
a. de toezichtinformatie, bedoeld in artikel 372, eerste lid, van de verordening solvabiliteit II;
b. de aanvullende toezichtinformatie, bedoeld in artikel 372, tweede lid, van de verordening solvabiliteit II;
c. de toezichtinformatie, bedoeld in de artikelen 376 en 377 van de verordening solvabiliteit II;
d. andere voor toezichtdoeleinden benodigde periodieke informatie als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de richtlijn solvabiliteit II.
2. De Nederlandsche Bank stelt, met inachtneming van titel II, hoofdstuk VI, van de verordening solvabiliteit II, regels met betrekking tot de rapportages, bedoeld in het eerste lid.
3. De Nederlandsche Bank kan, met inachtneming van artikel 35, zesde tot en met achtste lid, van de richtlijn solvabiliteit II, ontheffing verlenen van:
a. de verplichting periodieke rapportagestaten vaker dan eenmaal per jaar te verstrekken;
b. itemgewijze rapportageverplichtingen.
Hoofdstuk 3
Aanvullend toezicht op verzekeraars met beperkte risico-omvang in een richtlijngroep
Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 3:281a, derde lid, en 3:281b, eerste lid, van de wet
Afdeling 3.1
Intragroepsovereenkomsten en -posities
Artikel 5
2. Onder significante intragroepsovereenkomsten of -posities als bedoeld in artikel 3:281a, tweede lid, van de wetworden verstaan overeenkomsten of posities die een door de Nederlandsche Bank vast te stellen drempel, gerelateerd aan de vereiste solvabiliteit, te boven gaan. Alvorens de drempel vast te stellen, voert de Nederlandsche Bank overleg met de betrokken verzekeraar. De Nederlandsche Bank stelt geen kwalitatieve of andere kwantitatieve drempels vast.
3. De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de categorieën overeenkomsten en posities die in de rapportage worden betrokken en de rapportage. Artikel 4, vierde lid, is van toepassing.
Afdeling 3.2
Aangepaste solvabiliteit
Artikel 6
2. De verzekeraar rapporteert de aangepaste solvabiliteit eenmaal per jaar, tenzij de Nederlandsche Bank, indien de aangepaste solvabiliteit door ontwikkelingen bij de verzekeraar in het gedrang is of zou kunnen komen, besluit dat er gerapporteerd moet worden met een hogere frequentie.
3. De Nederlandsche Bank stelt regels met betrekking tot de rapportage, bedoeld in het tweede lid. Artikel 4, vierde lid, is van toepassing.
Artikel 7
2. De Nederlandsche Bank kan besluiten dat een verzekeraar geen aangepaste solvabiliteit behoeft te berekenen, indien:
a. de verzekeraar een verbonden verzekeraar is van een andere Nederlandse verzekeraar en de verzekeraar in aanmerking wordt genomen bij de voor die andere verzekeraar uitgevoerde berekening; of
b. de verzekeraar dezelfde moederonderneming heeft als een andere Nederlandse verzekeraar en in aanmerking wordt genomen bij de voor die andere verzekeraar uitgevoerde berekening.
3. De Nederlandsche Bank neemt slechts een besluit als bedoeld in het tweede lid, indien de vermogensbestanddelen die in aanmerking komen voor de berekening van het eigen vermogen van de bij de berekening betrokken verzekeraars adequaat over de in dat lid bedoelde ondernemingen verdeeld zijn.
Artikel 8
2. De verzekeraar betrekt bij de berekening van zijn aangepaste solvabiliteit niet de waarde van de activa die dienen ter dekking van het solvabiliteitskapitaalvereiste van andere rechtstreeks of middellijk met hem verbonden verzekeraars.
3. De verzekeraar betrekt bij de berekening van de aangepaste solvabiliteit geen vermogensbestanddelen die afkomstig zijn van de wederzijdse financiering tussen hem en andere rechtstreeks of middellijk met hem verbonden ondernemingen.
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
Artikel 12
Artikel 13
Artikel 14
Artikel 15
Artikel 16
Artikel 17
Artikel 18
Artikel 19
Artikel 20
Artikel 21
Artikel 22
Hoofdstuk 4
Financiële conglomeraten
Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 3:296 tot en met 3:298 van de wet
Afdeling 4.1
Aanvullende kapitaaltoereikendheid
Artikel 23
2. De onderneming past voor de berekening van de aanvullende kapitaaltoereikendheid een van de in bijlage Bbij dit besluit opgenomen berekeningsmethoden toe.
3. De aanvullende kapitaaltoereikendheid is voldoende indien de uitkomst van de berekening, bedoeld in het tweede lid, niet negatief is.
4. Onverminderd het tweede lid kan de Nederlandsche Bank, indien zij coördinator is, na overleg met de andere relevante toezichthoudende instanties en het financieel conglomeraat, besluiten welke van die methoden de onderneming voor de berekening toepast.
Artikel 24
2. De Nederlandsche Bank stelt, met inachtneming van het bepaalde ingevolge het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet, alsmede met inachtneming van Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboeken de internationale jaarrekeningstandaarden, nadere regels met betrekking tot de rapportage van de aanvullende kapitaaltoereikendheid. Artikel 4, vierde lid, is van toepassing.
3. De in het eerste lid bedoelde onderneming verstrekt bovendien eenmaal per jaar op een na overleg met de Nederlandsche Bank door de onderneming te bepalen tijdstip de informatie die aan het groepsbestuur van het financiële conglomeraat wordt verstrekt over de aanvullende kapitaaltoereikendheid en die is opgesteld met gebruikmaking van de procedures, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel a.
Artikel 25
2. Indien de Nederlandsche Bank coördinator is en zij van oordeel is dat de aansprakelijkheid van de moederonderneming die een gedeelte van het kapitaal van de dochteronderneming in eigendom heeft, strikt en ondubbelzinnig tot dat gedeelte van het kapitaal beperkt is, kan zij besluiten dat de onderneming het solvabiliteitstekort van die dochteronderneming proportioneel in aanmerking neemt. Indien tussen de groepsleden geen kapitaalbanden bestaan, bepaalt de Nederlandsche Bank, indien zij coördinator is, na overleg met de relevante toezichthoudende instanties, het gedeelte van het solvabiliteitstekort dat de onderneming bij de berekening betrekt, rekening houdend met de aansprakelijkheid waartoe de bestaande betrekkingen aanleiding geven.
3. Ongeacht welke van de in artikel 23, tweede lid, bedoelde methoden wordt toegepast:
a. is het meerdere malen gebruiken van vermogensbestanddelen die voor de berekening van het eigen vermogen in aanmerking komen op het niveau van het financiële conglomeraat of de creatie van eigen vermogen binnen de groep niet toegestaan; met het oog daarop zijn de relevante regels van de desbetreffende sectorale voorschriften van overeenkomstige toepassing;
b. betrekt de onderneming bij de berekening van de aanwezige solvabiliteit voor iedere deelsector in het financieel conglomeraat de eigenvermogensbestanddelen als omschreven in de voor die deelsector geldende sectorale voorschriften; indien er een tekort aan eigen vermogen is op het niveau van het financiële conglomeraat, betrekt de onderneming bij die berekening alleen de eigenvermogensbestanddelen die op grond van elk van de sectorale voorschriften in aanmerking komen;
c. houdt de onderneming bij de berekening van het eigen vermogen van het financiële conglomeraat rekening met de beperkingen die voor de berekening van het eigen vermogen gelden op grond van de voor elk van de deelsectoren geldende sectorale voorschriften;
d. betrekt de onderneming bij de berekening van het eigen vermogen van het financiële conglomeraat alleen het eigen vermogen voorzover dit effectief overdraagbaar en beschikbaar is tussen de verschillende groepsleden in het licht van de doeleinden van de kapitaaltoereikendheidsvoorschriften;
e. berekent de onderneming het theoretische solvabiliteitsvereiste voor een niet-gereglementeerd groepslid uit de financiële marktsector volgens de regels waaraan dat groepslid krachtens de desbetreffende sectorale voorschriften zou moeten voldoen indien het een gereglementeerde entiteit van die specifieke deelsector zou zijn;
f. berekent de onderneming het theoretische solvabiliteitsvereiste van een gemengde financiële holding in overeenstemming met de sectorale voorschriften van de belangrijkste deelsector in het financiële conglomeraat.
Afdeling 4.2
Risicoconcentratie, intragroepsovereenkomsten en -posities en risicobeheer- en internecontroleprocedures
Artikel 26
2. Onder significante risicoconcentraties worden verstaan risicoconcentraties, welke een door de Nederlandsche Bank, na overleg met de andere relevante toezichthoudende instanties en het financiële conglomeraat, vast te stellen passende drempel, gerelateerd aan het reglementaire eigen vermogen of de technische voorzieningen, te boven gaan.
3. De Nederlandsche Bank bepaalt, na overleg met de andere toezichthoudende instanties, welke categorieën risico’s van de gereglementeerde entiteiten in een bepaald financieel conglomeraat worden gerapporteerd op basis van artikel 3:297, eerste lid, van de wet. Daarbij houdt de Nederlandsche Bank rekening met de specifieke groeps- en risicobeheerstructuur van het financiële conglomeraat.
4. De Nederlandsche Bank stelt, met inachtneming van het bepaalde ingevolge het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet, alsmede met inachtneming van Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboeken de internationale jaarrekeningstandaarden, nadere regels met betrekking tot de rapportage van de risicoconcentraties. Artikel 4, vierde lid, is van toepassing.
5. De in het eerste lid bedoelde onderneming verstrekt bovendien eenmaal per jaar op een na overleg met de Nederlandsche Bank door de onderneming te bepalen tijdstip de informatie die aan het groepsbestuur van het financiële conglomeraat wordt verstrekt over risicoconcentraties en die is opgesteld met gebruikmaking van de procedures, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel b.
Artikel 27
2. Onder significante intragroepsovereenkomsten en -posities worden verstaan intragroepsovereenkomsten en -posities welke een door de Nederlandsche Bank, na overleg met de andere relevante toezichthoudende instanties en het financiële conglomeraat, vast te stellen passende drempel, gerelateerd aan het reglementaire eigen vermogen of de technische voorzieningen, te boven gaan.
3. De Nederlandsche Bank bepaalt, na overleg met de andere toezichthoudende instanties, welke categorieën overeenkomsten of posities van de gereglementeerde entiteiten in een bepaald financieel conglomeraat worden gerapporteerd op basis van artikel 3:298, eerste lid, van de wet. Daarbij houdt de Nederlandsche Bank rekening met de specifieke groeps- en risicobeheerstructuur van het financiële conglomeraat.
4. De Nederlandsche Bank stelt, met inachtneming van het bepaalde ingevolge het Deel Prudentieel toezicht financiële ondernemingen van de wet, alsmede met inachtneming van Titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboeken de internationale jaarrekeningstandaarden, nadere regels met betrekking tot de rapportage van de intragroepsovereenkomsten en -posities. Artikel 4, vierde lid, is van toepassing.
5. De in het eerste lid bedoelde onderneming verstrekt bovendien eenmaal per jaar op een na overleg met de Nederlandsche Bank door de onderneming te bepalen tijdstip de informatie die aan het groepsbestuur van het financiële conglomeraat wordt verstrekt over intragroepsovereenkomsten en -posities en die is opgesteld met gebruikmaking van de procedures bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel b.
Artikel 28
Hoofdstuk 5
Slotbepalingen