BWBR0020413
Geldig vanaf 2007-01-01
Artikel 28
Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft
Onze Minister kan, ter uitvoering van artikel 2:50, tweede lid, van de wet, een staat aanwijzen als staat waar het toezicht in voldoende mate waarborgen biedt ten aanzien van de belangen die de wet beoogt te beschermen indien:
a. de in die staat geldende regels voor het uitoefenen van het bedrijf van levensverzekeraar, natura-uitvaartverzekeraar of schadeverzekeraar met beperkte risico-omvang en het toezicht op de naleving daarvan gelijkwaardig zijn aan het ingevolge de wet bepaalde met betrekking tot: 1°. geschiktheid en betrouwbaarheid;
2°. financiële waarborgen;
3°. bedrijfsvoering, waaronder maatregelen gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering; en
4°. waarborgen voor een adequaat toezicht op de naleving van de in die staat gestelde regels;
1°. geschiktheid en betrouwbaarheid;
2°. financiële waarborgen;
3°. bedrijfsvoering, waaronder maatregelen gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering; en
4°. waarborgen voor een adequaat toezicht op de naleving van de in die staat gestelde regels;
b. de samenwerking tussen de toezichthouder en het bevoegde gezag in die staat is gewaarborgd; en
c. voor het bevoegde gezag in die staat regels gelden die gelijkwaardig zijn aan die in Hoofdstuk 1.4 van de wet.
a. de in die staat geldende regels voor het uitoefenen van het bedrijf van levensverzekeraar, natura-uitvaartverzekeraar of schadeverzekeraar met beperkte risico-omvang en het toezicht op de naleving daarvan gelijkwaardig zijn aan het ingevolge de wet bepaalde met betrekking tot: 1°. geschiktheid en betrouwbaarheid;
2°. financiële waarborgen;
3°. bedrijfsvoering, waaronder maatregelen gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering; en
4°. waarborgen voor een adequaat toezicht op de naleving van de in die staat gestelde regels;
1°. geschiktheid en betrouwbaarheid;
2°. financiële waarborgen;
3°. bedrijfsvoering, waaronder maatregelen gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering; en
4°. waarborgen voor een adequaat toezicht op de naleving van de in die staat gestelde regels;
b. de samenwerking tussen de toezichthouder en het bevoegde gezag in die staat is gewaarborgd; en
c. voor het bevoegde gezag in die staat regels gelden die gelijkwaardig zijn aan die in Hoofdstuk 1.4 van de wet.