BWBR0020239
Geldig vanaf 06-09-2006
Artikel 6
Regeling gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming
1. Van de gronden met een gelijke hoedanigheid wordt de bodemgeschiktheid per gebruiksbestemming bepaald aan de hand van een of meer van de volgende kenmerken:
a. de ontwateringstoestand;
b. de beschikbaarheid van bodemvocht voor de groei van gewas;
c. de stevigheid van de bovengrond;
d. de verkruimelbaarheid van de bodem;
e. de stabiliteit van de bodem op maaiveldniveau;
f. de stuifgevoeligheid van de bodem, of
g. de dikte van de laag waarin zich 80% van de wortels van een gewas bevinden.
2. Voor elke gebruiksbestemming wordt bepaald welke van de kenmerken, bedoeld in het eerste lid, daarvoor doorslaggevend zijn.
a. de ontwateringstoestand;
b. de beschikbaarheid van bodemvocht voor de groei van gewas;
c. de stevigheid van de bovengrond;
d. de verkruimelbaarheid van de bodem;
e. de stabiliteit van de bodem op maaiveldniveau;
f. de stuifgevoeligheid van de bodem, of
g. de dikte van de laag waarin zich 80% van de wortels van een gewas bevinden.
2. Voor elke gebruiksbestemming wordt bepaald welke van de kenmerken, bedoeld in het eerste lid, daarvoor doorslaggevend zijn.
- Citeren als
- Art. 6
- Geldig vanaf
- Status
- Geldend recht
- Identificatie
- BWBR0020239
- Officiële bron
- wetten.overheid.nl