1. Er zijn vijf klachtencommissies. Elke commissie behandelt de klachten over gedragingen van de medewerker van de raad, werkzaam op het landelijk bureau of in de regio, bedoeld in artikel 2, van het Organisatiebesluit raad voor de kinderbescherming 2015, waarvoor zij bevoegd is.
2. De bevoegdheidsverdeling van de klachtencommissies is de volgende:
a. regio Noord Nederland;
b. regio Overijssel en Gelderland;
c. regio Midden Nederland, Noord Holland, Amsterdam, de landelijke staforganisatie en de directeur van de raad;
d. regio Haaglanden, Rotterdam-Dordrecht en Zuidwest Nederland;
e. regio Zuidoost Nederland.
3. Van de klachtencommissie kan geen lid worden:
a. een persoon die werkzaam is bij de raad of waarvan het dienstverband bij de raad minder dan drie jaar geleden is beëindigd, of
b. een persoon wiens onafhankelijkheid of onpartijdigheid om een andere reden in het geding is.
4. De klachtencommissie bestaat uit een voorzitter, een of meer plaatsvervangende voorzitters en maximaal acht leden. De voorzitter en plaatsvervangend voorzitter zijn:
a. rechterlijke ambtenaren werkzaam bij een gerecht,
b. leden, staatsraden en staatsraden in buitengewone dienst werkzaam bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State,
c. leden met rechtspraak belast werkzaam bij het College van beroep voor het bedrijfsleven, of
d. leden met rechtspraak belast werkzaam bij het Centrale Raad van Beroep.
Zij worden door Onze Minister benoemd op voordracht van de Raad voor de rechtspraak, gehoord het gerecht of het bestuursrechtelijke college waar de voorzitter of plaatsvervangend voorzitter werkzaam is. De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de leden hebben affiniteit met jeugdhulp of de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen als bedoeld in
artikel 1.1 van de Jeugdwet.
5. De voorzitter en de leden van de klachtencommissie worden benoemd voor de tijd van ten hoogste zes jaar. Zij kunnen aansluitend op die termijn éénmaal voor een gelijke termijn worden herbenoemd. Zij zijn bevoegd als plaatsvervangend lid van de klachtencommissie in een ander regiogebied op te treden.
6. Aan de voorzitter en aan een lid wordt op eigen verzoek tussentijds ontslag verleend.
7. Een lid kan door Onze Minister worden ontslagen wegens ongeschiktheid, onbekwaamheid of andere zwaarwegende gronden. Omtrent het voornemen tot ontslag wordt de betrokkene door of namens Onze Minister gehoord.