BWBR0019919
Geldig vanaf 2007-06-01
Artikel 7
Wet op de bijzondere opsporingsdiensten
1. Het College van procureurs-generaal ziet erop toe dat de bijzondere opsporingsdiensten de taken, bedoeld in artikel 3, naar behoren uitvoeren.
2. Het hoofd van het functioneel parket heeft tot taak erop toe te zien dat:
a. de opsporingsambtenaar beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van opsporingsbevoegdheden;
b. de opsporingsambtenaar zijn taak op de juiste wijze uitoefent.
3. Bij algemene maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, worden regels gegeven met betrekking tot de bekwaamheid en betrouwbaarheid die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van opsporingsbevoegdheden.
4. Het bepaalde in het eerste lid laat het bepaalde in <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/126nba" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 126nba, achtste lid, van het Wetboek van Strafvordering</a>onverlet.
2. Het hoofd van het functioneel parket heeft tot taak erop toe te zien dat:
a. de opsporingsambtenaar beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van opsporingsbevoegdheden;
b. de opsporingsambtenaar zijn taak op de juiste wijze uitoefent.
3. Bij algemene maatregel van bestuur, op voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie, worden regels gegeven met betrekking tot de bekwaamheid en betrouwbaarheid die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van opsporingsbevoegdheden.
4. Het bepaalde in het eerste lid laat het bepaalde in <a href="/wet/BWBR0001903/artikel/126nba" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 126nba, achtste lid, van het Wetboek van Strafvordering</a>onverlet.