BWBR0019309
Geldig vanaf 2006-01-01
Artikel 28
Regeling verplichte beroepspensioenregeling
1. Bij de vaststelling van het standaardtarief, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van het besluit, wordt uitgegaan van de afgeronde overlevingstafels Gehele Bevolking mannen en Gehele Bevolking vrouwen 1995–2000 zonder leeftijdsverschuivingen en met een opslag wegens stijgende levenskansen van 5% over de contantewaardefactoren.
2. De berekening van het standaardtarief geschiedt op basis van algemeen gebruikelijke actuariële formules. Uitgegaan wordt daarbij van netto tarieven en een rekenrente van 4%.
3. Bij de bepaling van koopsommen voor lijfrenten, overlevingsrenten en erfrenten wordt de continue rente gebruikt.
4. Voor koopsommen van uitkeringen bij overlijden wordt uitgegaan van overlijden halverwege het jaar.
5. Voor de berekening van het nabestaandenpensioen wordt de gehuwdheidsfrequentie op 1 gesteld op de datum waarop het ouderdomspensioen op grond van een pensioenregeling aanvangt.
6. Voor het ongehuwdenouderdomspensioen en het nabestaandenpensioen waarop artikel 37 van de wetniet van toepassing is, wordt uitgegaan van de gehuwdheidsfrequenties, opgenomen in de bijlagebij deze regeling. Mannen worden geacht gehuwd te zijn met een drie jaar jongere partner, vrouwen worden geacht gehuwd te zijn met een drie jaar oudere partner.
7. De contantewaardefactoren worden gebaseerd op de pensioenleeftijd en het verschil tussen de pensioendatum en de overdrachtsdatum in jaren en maanden die het overdragende uitvoeringsorgaan hanteert.
2. De berekening van het standaardtarief geschiedt op basis van algemeen gebruikelijke actuariële formules. Uitgegaan wordt daarbij van netto tarieven en een rekenrente van 4%.
3. Bij de bepaling van koopsommen voor lijfrenten, overlevingsrenten en erfrenten wordt de continue rente gebruikt.
4. Voor koopsommen van uitkeringen bij overlijden wordt uitgegaan van overlijden halverwege het jaar.
5. Voor de berekening van het nabestaandenpensioen wordt de gehuwdheidsfrequentie op 1 gesteld op de datum waarop het ouderdomspensioen op grond van een pensioenregeling aanvangt.
6. Voor het ongehuwdenouderdomspensioen en het nabestaandenpensioen waarop artikel 37 van de wetniet van toepassing is, wordt uitgegaan van de gehuwdheidsfrequenties, opgenomen in de bijlagebij deze regeling. Mannen worden geacht gehuwd te zijn met een drie jaar jongere partner, vrouwen worden geacht gehuwd te zijn met een drie jaar oudere partner.
7. De contantewaardefactoren worden gebaseerd op de pensioenleeftijd en het verschil tussen de pensioendatum en de overdrachtsdatum in jaren en maanden die het overdragende uitvoeringsorgaan hanteert.