BWBR0019120
Geldig vanaf 2005-12-24
Artikel 8
Regeling inburgering oudkomers niet-G56 2006
1. De Minister stelt de bijdrage voor een gemeente of een samenwerkingsverband vast aan de hand van de in artikel 7, eerste lid, bedoelde informatie en de in artikel 7, vierde lid, bedoelde verklaring omtrent de getrouwheid.
2. De hoogte van de bijdrage voor de vaste kosten voor een gemeente of samenwerkingsverband wordt als volgt vastgesteld: € 1.200 voor iedere oudkomer met wie in 2006 een overeenkomst als bedoeld in artikel 5is gesloten, tot ten hoogste het bedrag van de verleende voorschoten voor de vaste kosten.
3. De hoogte van de bijdrage voor de variabele kosten voor een gemeente of samenwerkingsverband wordt als volgt vastgesteld:
a. € 1.375 voor iedere oudkomer met wie in 2006 een overeenkomst als bedoeld in artikel 5 is gesloten; en
b. € 6.000 voor iedere oudkomer die, evenals het college, aan de verplichtingen, genoemd in de overeenkomst, bedoeld in artikel 5, heeft voldaan en die een begintoets en uiterlijk 31 december 2007 een eindtoets als bedoeld in artikel 6 is afgenomen.
4. Het aantal oudkomers dat de Minister bij het vaststellen van de bijdrage betrekt, kan het in de beschikkingen tot verlening van het voorschot genoemde aantal oudkomers niet overtreffen.
2. De hoogte van de bijdrage voor de vaste kosten voor een gemeente of samenwerkingsverband wordt als volgt vastgesteld: € 1.200 voor iedere oudkomer met wie in 2006 een overeenkomst als bedoeld in artikel 5is gesloten, tot ten hoogste het bedrag van de verleende voorschoten voor de vaste kosten.
3. De hoogte van de bijdrage voor de variabele kosten voor een gemeente of samenwerkingsverband wordt als volgt vastgesteld:
a. € 1.375 voor iedere oudkomer met wie in 2006 een overeenkomst als bedoeld in artikel 5 is gesloten; en
b. € 6.000 voor iedere oudkomer die, evenals het college, aan de verplichtingen, genoemd in de overeenkomst, bedoeld in artikel 5, heeft voldaan en die een begintoets en uiterlijk 31 december 2007 een eindtoets als bedoeld in artikel 6 is afgenomen.
4. Het aantal oudkomers dat de Minister bij het vaststellen van de bijdrage betrekt, kan het in de beschikkingen tot verlening van het voorschot genoemde aantal oudkomers niet overtreffen.