BWBR0018997
Geldig vanaf 2008-12-03
Artikel 5
Subsidieregeling IOP-TTI-module van de experimentele Kaderregeling subsidies innovatieprojecten
1. Als kosten als bedoeld in artikel 4worden uitsluitend in aanmerking genomen:
a. de volgende rechtstreeks aan de uitvoering van het onderzoek toe te rekenen, na de indiening van de aanvraag door de subsidie-ontvanger gemaakte en betaalde kosten: 1°. loonkosten voor betrokken personeel, voor zover deze rechtstreeks voor de uitvoering van het onderzoek noodzakelijk zijn. Het uurloon wordt berekend op basis van 1650 productieve uren per jaar;
2°. de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen;
3°. kosten van het gebruik van bestaande machines en apparatuur van de deelnemers;
4°. kosten van speciaal voor het onderzoek aan te schaffen machines en apparatuur;
5°. aan derden verschuldigde kosten;
6°. kosten van buitenlandstages van minimaal drie maanden van een onderzoeker, tot een maximum van € 7000;
7°. 50 procent van de kosten van een octrooiaanvraag van publiek gefinancierde onderzoeksorganisaties en MKB-ondernemers, tot een maximum van € 8000 per octrooi;
8°. kosten inzake kennisoverdracht en verankering door een TTI.
1°. loonkosten voor betrokken personeel, voor zover deze rechtstreeks voor de uitvoering van het onderzoek noodzakelijk zijn. Het uurloon wordt berekend op basis van 1650 productieve uren per jaar;
2°. de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen;
3°. kosten van het gebruik van bestaande machines en apparatuur van de deelnemers;
4°. kosten van speciaal voor het onderzoek aan te schaffen machines en apparatuur;
5°. aan derden verschuldigde kosten;
6°. kosten van buitenlandstages van minimaal drie maanden van een onderzoeker, tot een maximum van € 7000;
7°. 50 procent van de kosten van een octrooiaanvraag van publiek gefinancierde onderzoeksorganisaties en MKB-ondernemers, tot een maximum van € 8000 per octrooi;
8°. kosten inzake kennisoverdracht en verankering door een TTI.
b. een opslag voor algemene kosten van 50 procent van de onder a, onder 1°, bedoelde kosten.
2. Voor de directe loonkosten als bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 1°, wordt uitgegaan van gemiddelde uurtarieven per categorie bij het onderzoek betrokken personeel.
3. De kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidie-ontvanger die de kosten heeft gemaakt, omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.
4. De subsidie-ontvanger, niet zijnde een ondernemer, kan bij de minister een verzoek indienen om de berekening van de loonkosten en de algemene kosten te mogen vervangen door een in de gehele organisatie van de subsidie-ontvanger gebruikelijke, controleerbare methodiek. Dit verzoek moet vergezeld gaan van het gebruikte kostenmodel, de berekeningswijze en een door een accountant opgesteld assurance-rapport over de aanvaardbaarheid van de voorgestelde methodiek.
5. Niet subsidiabel zijn:
a. kosten gemaakt voor het verwerven en uitvoeren van contractresearch inclusief de daaraan toe te rekenen kosten van de overhead en overige indirecte kosten;
b. kosten gemaakt ter verkrijging van een accountantsverklaring;
c. reserveringen voor toekomstige kosten of reservevorming, met uitzondering van reservering van subsidie, indien noodzakelijk, voor in volgende jaren te betalen BTW.
a. de volgende rechtstreeks aan de uitvoering van het onderzoek toe te rekenen, na de indiening van de aanvraag door de subsidie-ontvanger gemaakte en betaalde kosten: 1°. loonkosten voor betrokken personeel, voor zover deze rechtstreeks voor de uitvoering van het onderzoek noodzakelijk zijn. Het uurloon wordt berekend op basis van 1650 productieve uren per jaar;
2°. de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen;
3°. kosten van het gebruik van bestaande machines en apparatuur van de deelnemers;
4°. kosten van speciaal voor het onderzoek aan te schaffen machines en apparatuur;
5°. aan derden verschuldigde kosten;
6°. kosten van buitenlandstages van minimaal drie maanden van een onderzoeker, tot een maximum van € 7000;
7°. 50 procent van de kosten van een octrooiaanvraag van publiek gefinancierde onderzoeksorganisaties en MKB-ondernemers, tot een maximum van € 8000 per octrooi;
8°. kosten inzake kennisoverdracht en verankering door een TTI.
1°. loonkosten voor betrokken personeel, voor zover deze rechtstreeks voor de uitvoering van het onderzoek noodzakelijk zijn. Het uurloon wordt berekend op basis van 1650 productieve uren per jaar;
2°. de kosten van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen;
3°. kosten van het gebruik van bestaande machines en apparatuur van de deelnemers;
4°. kosten van speciaal voor het onderzoek aan te schaffen machines en apparatuur;
5°. aan derden verschuldigde kosten;
6°. kosten van buitenlandstages van minimaal drie maanden van een onderzoeker, tot een maximum van € 7000;
7°. 50 procent van de kosten van een octrooiaanvraag van publiek gefinancierde onderzoeksorganisaties en MKB-ondernemers, tot een maximum van € 8000 per octrooi;
8°. kosten inzake kennisoverdracht en verankering door een TTI.
b. een opslag voor algemene kosten van 50 procent van de onder a, onder 1°, bedoelde kosten.
2. Voor de directe loonkosten als bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 1°, wordt uitgegaan van gemiddelde uurtarieven per categorie bij het onderzoek betrokken personeel.
3. De kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidie-ontvanger die de kosten heeft gemaakt, omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.
4. De subsidie-ontvanger, niet zijnde een ondernemer, kan bij de minister een verzoek indienen om de berekening van de loonkosten en de algemene kosten te mogen vervangen door een in de gehele organisatie van de subsidie-ontvanger gebruikelijke, controleerbare methodiek. Dit verzoek moet vergezeld gaan van het gebruikte kostenmodel, de berekeningswijze en een door een accountant opgesteld assurance-rapport over de aanvaardbaarheid van de voorgestelde methodiek.
5. Niet subsidiabel zijn:
a. kosten gemaakt voor het verwerven en uitvoeren van contractresearch inclusief de daaraan toe te rekenen kosten van de overhead en overige indirecte kosten;
b. kosten gemaakt ter verkrijging van een accountantsverklaring;
c. reserveringen voor toekomstige kosten of reservevorming, met uitzondering van reservering van subsidie, indien noodzakelijk, voor in volgende jaren te betalen BTW.