BWBR0018726
Geldig vanaf 2005-09-14
Artikel 7
Tijdelijke subsidieregeling beëindiging subsidiëring schoonmaakdiensten particulieren
1. Met ingang van de datum waarop aan een werkgever subsidie op grond van artikel 3, eerste lid, wordt verleend, beëindigt de minister de subsidie die op grond van artikel 4 van de Regeling schoonmaakdiensten particulieren 2005aan de werkgever wordt verleend.
2. Indien aan de werkgever subsidie op grond van artikel 3, eerste lid, wordt verleend, wordt een eenmalig voorschot als bedoeld in artikel 5, achtste lid, van de Regeling schoonmaakdiensten particulieren, dan wel een eenmalig voorschot als bedoeld in artikel 5, negende lid, van de Regeling schoonmaakdiensten particulierenniet bij de subsidievaststelling op grond van artikel 7 van de Regeling schoonmaakdiensten particulieren 2005in aanmerking genomen, maar bij de subsidievaststelling op grond van artikel 12 van deze regeling.
3. Voorzover op grond van de Regeling schoonmaakdiensten particulieren 2005aan de werkgever subsidie is betaald die betrekking heeft op een periode waarop ook aanspraak op subsidie op grond van artikel 3, eerste lid, bestaat, wordt de subsidie op grond van de Regeling schoonmaakdiensten particulieren 2005met de subsidie op grond van artikel 3, eerste lid, verrekend.
4. Bij de aanvraag tot subsidieverlening op grond van artikel 3, eerste lid, verklaart de werkgever schriftelijk ermee in te stemmen dat de subsidie op grond van de Regeling schoonmaakdiensten particulieren 2005met ingang van de in het eerste lid genoemde datum wordt beëindigd, alsmede dat reeds betaalde subsidie op grond van de Regeling schoonmaakdiensten particulieren 2005die betrekking heeft op een periode waarop ook aanspraak op subsidie op grond van artikel 3, eerste lid, bestaat, met de subsidie op grond van artikel 3, eerste lid, wordt verrekend.
5. De minister verleent slechts subsidie op grond van deze regeling, nadat hij de in het vierde lid bedoelde verklaring van de werkgever heeft ontvangen.
2. Indien aan de werkgever subsidie op grond van artikel 3, eerste lid, wordt verleend, wordt een eenmalig voorschot als bedoeld in artikel 5, achtste lid, van de Regeling schoonmaakdiensten particulieren, dan wel een eenmalig voorschot als bedoeld in artikel 5, negende lid, van de Regeling schoonmaakdiensten particulierenniet bij de subsidievaststelling op grond van artikel 7 van de Regeling schoonmaakdiensten particulieren 2005in aanmerking genomen, maar bij de subsidievaststelling op grond van artikel 12 van deze regeling.
3. Voorzover op grond van de Regeling schoonmaakdiensten particulieren 2005aan de werkgever subsidie is betaald die betrekking heeft op een periode waarop ook aanspraak op subsidie op grond van artikel 3, eerste lid, bestaat, wordt de subsidie op grond van de Regeling schoonmaakdiensten particulieren 2005met de subsidie op grond van artikel 3, eerste lid, verrekend.
4. Bij de aanvraag tot subsidieverlening op grond van artikel 3, eerste lid, verklaart de werkgever schriftelijk ermee in te stemmen dat de subsidie op grond van de Regeling schoonmaakdiensten particulieren 2005met ingang van de in het eerste lid genoemde datum wordt beëindigd, alsmede dat reeds betaalde subsidie op grond van de Regeling schoonmaakdiensten particulieren 2005die betrekking heeft op een periode waarop ook aanspraak op subsidie op grond van artikel 3, eerste lid, bestaat, met de subsidie op grond van artikel 3, eerste lid, wordt verrekend.
5. De minister verleent slechts subsidie op grond van deze regeling, nadat hij de in het vierde lid bedoelde verklaring van de werkgever heeft ontvangen.