BWBR0018626
Geldig vanaf 2005-10-25
Artikel 3
Besluit beleidskader stedelijke vernieuwing 2005
1. In het ontwikkelingsprogramma van een gemeente die is aangewezen ingevolge artikel 5, tweede lid, van de wet, wordt een analyse opgenomen van de kansen en bedreigingen voor die gemeente, waarbij wordt uitgegaan van de in artikel 2genoemde doelstellingen en de doelstellingen van het rijksbeleid met betrekking tot de grote steden, bezien in hun onderlinge samenhang.
2. In het ontwikkelingsprogramma van een gemeente die is aangewezen ingevolge artikel 6, derde lid, aanhef en onder a, van de wet, wordt een analyse opgenomen van de kansen en bedreigingen voor die gemeente, waarbij wordt uitgegaan van de in artikel 2genoemde doelstellingen, bezien in hun onderlinge samenhang en in samenhang met de niet-fysieke aspecten van stedelijke vernieuwing.
3. Intergemeentelijke afstemming van de ontwikkelingsprogramma’s vindt plaats met betrekking tot:
a. de wijzigingen binnen de woningvoorraad in de regio, onderscheiden naar huurwoningen en koopwoningen en naar de prijsklassen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel a, onder 1°, alsmede over de na te streven toename door nieuwbouw en verbouw van de voorraad volledig toegankelijke woningen;
b. de verbetering van het aanbod van grootschalige groenvoorzieningen in de stad in relatie tot de plannen voor groenvoorzieningen om de stad en in de regio;
c. de versterking van de culturele kwaliteiten van de leefomgeving, en
d. de intensivering van de woningbouw binnen bestaand bebouwd gebied.
4. Met betrekking tot de onderwerpen, genoemd in het derde lid, wordt in het ontwikkelingsprogramma vermeld waarover intergemeentelijke afspraken zijn gemaakt, met welke gemeenten die afspraken zijn gemaakt, wat die afspraken op hoofdlijnen inhouden, alsmede welk aandeel van de regionale opgave als geheel de gemeente voor haar rekening neemt.
5. De financiële paragraaf, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder d, van de wet, geeft inzicht in:
a. de totale kosten van de voornemens van de gemeente;
b. de verdeling van de kosten over het Rijk, de provincie, de gemeente, andere betrokken gemeenten en, indien van toepassing, de Europese Unie en andere met name te noemen partijen.
2. In het ontwikkelingsprogramma van een gemeente die is aangewezen ingevolge artikel 6, derde lid, aanhef en onder a, van de wet, wordt een analyse opgenomen van de kansen en bedreigingen voor die gemeente, waarbij wordt uitgegaan van de in artikel 2genoemde doelstellingen, bezien in hun onderlinge samenhang en in samenhang met de niet-fysieke aspecten van stedelijke vernieuwing.
3. Intergemeentelijke afstemming van de ontwikkelingsprogramma’s vindt plaats met betrekking tot:
a. de wijzigingen binnen de woningvoorraad in de regio, onderscheiden naar huurwoningen en koopwoningen en naar de prijsklassen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel a, onder 1°, alsmede over de na te streven toename door nieuwbouw en verbouw van de voorraad volledig toegankelijke woningen;
b. de verbetering van het aanbod van grootschalige groenvoorzieningen in de stad in relatie tot de plannen voor groenvoorzieningen om de stad en in de regio;
c. de versterking van de culturele kwaliteiten van de leefomgeving, en
d. de intensivering van de woningbouw binnen bestaand bebouwd gebied.
4. Met betrekking tot de onderwerpen, genoemd in het derde lid, wordt in het ontwikkelingsprogramma vermeld waarover intergemeentelijke afspraken zijn gemaakt, met welke gemeenten die afspraken zijn gemaakt, wat die afspraken op hoofdlijnen inhouden, alsmede welk aandeel van de regionale opgave als geheel de gemeente voor haar rekening neemt.
5. De financiële paragraaf, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder d, van de wet, geeft inzicht in:
a. de totale kosten van de voornemens van de gemeente;
b. de verdeling van de kosten over het Rijk, de provincie, de gemeente, andere betrokken gemeenten en, indien van toepassing, de Europese Unie en andere met name te noemen partijen.