BWBR0018397
Geldig vanaf 2015-01-01
Artikel 40c
Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s
1. In afwijking van artikel 40a is het vervoer naar een A-bedrijf toegestaan van vrouwelijke varkens afkomstig van ten hoogste één ander A-bedrijf, C-bedrijf, E-bedrijf, of één varkenshouderijbedrijf buiten Nederland en van mannelijke varkens afkomstig van ten hoogste één ander A-bedrijf, C-bedrijf, E-bedrijf, varkensspermawincentrum of één varkenshouderijbedrijf buiten Nederland en van biggen afkomstig van het E-bedrijf waaraan het betreffende A-bedrijf heeft geleverd, voor zover:
a. ten minste vijf weken voorafgaand aan de week van aanvoer geen varkens op het betreffende A-bedrijf zijn aangevoerd;
b. varkens na aanvoer in een toevoegstal van het betreffende A-bedrijf zijn gehouden totdat uit het serologisch onderzoek van monsters, die overeenkomstig de procedure van bijlage II door een dierenarts zijn genomen, blijkt dat in het bloed van de aangevoerde varkens geen antilichamen tegen klassieke varkenspest en gB-antilichamen tegen de ziekte van Aujeszky zijn aangetroffen, of
c. binnen zes weken na aanvoer geen varkens worden afgevoerd anders dan rechtstreeks naar een slachthuis dan wel via een verzamelcentrum indien er geen toevoegstal op het betreffende A-bedrijf aanwezig is of als geen gebruik is gemaakt van de toevoegstal van het betreffende A-bedrijf
2. Een A-bedrijf kan eenmaal per twaalf maanden wijzigen van bedrijf als leverancier voor zowel zijn vrouwelijke als mannelijke varkens als bedoeld in het eerste lid. Een wijziging wordt voorafgaand aan de toepassing van de wijziging aan de minister gemeld met gebruikmaking van een middel dat daartoe door de minister beschikbaar is gesteld.
a. ten minste vijf weken voorafgaand aan de week van aanvoer geen varkens op het betreffende A-bedrijf zijn aangevoerd;
b. varkens na aanvoer in een toevoegstal van het betreffende A-bedrijf zijn gehouden totdat uit het serologisch onderzoek van monsters, die overeenkomstig de procedure van bijlage II door een dierenarts zijn genomen, blijkt dat in het bloed van de aangevoerde varkens geen antilichamen tegen klassieke varkenspest en gB-antilichamen tegen de ziekte van Aujeszky zijn aangetroffen, of
c. binnen zes weken na aanvoer geen varkens worden afgevoerd anders dan rechtstreeks naar een slachthuis dan wel via een verzamelcentrum indien er geen toevoegstal op het betreffende A-bedrijf aanwezig is of als geen gebruik is gemaakt van de toevoegstal van het betreffende A-bedrijf
2. Een A-bedrijf kan eenmaal per twaalf maanden wijzigen van bedrijf als leverancier voor zowel zijn vrouwelijke als mannelijke varkens als bedoeld in het eerste lid. Een wijziging wordt voorafgaand aan de toepassing van de wijziging aan de minister gemeld met gebruikmaking van een middel dat daartoe door de minister beschikbaar is gesteld.