BWBR0017838
Geldig vanaf 2005-01-01
Artikel 7
Uitvoeringsbesluit WWIK
1. Voor de toepassing van de artikelen 15en 16 van de WWIKwordt over de omzet of bruto-inkomsten van de kunstenaar een bedrag van € 3.408,– als beroepskosten in aanmerking genomen.
2. Indien bij de toepassing van het eerste lid het bruto-inkomen van de kunstenaar uitkomt op een negatief bedrag, wordt het inkomen op nihil gesteld.
3. Indien in de situatie, bedoeld in het tweede lid, de kunstenaar aantoont dat de werkelijke beroepskosten de omzet en het bruto-inkomen overstijgen, worden in afwijking van het tweede lid, de resterende meerkosten in mindering gebracht op het bruto-inkomen van zijn echtgenoot.
4. Indien de kunstenaar aantoont dat zijn werkelijke beroepskosten hoger zijn dan het in het eerste lid genoemde bedrag worden deze werkelijke kosten in aanmerking genomen bij de omzet of het bruto-inkomen van de kunstenaar en het bruto-inkomen van zijn echtgenoot.
5. Bij de toepassing van artikel 16, derde lid, van de WWIK, worden het bedrag, bedoeld in het eerste lid, en de werkelijke beroepskosten, bedoeld in het derde en vierde lid, verlaagd naar evenredigheid van de in aanmerking te nemen periode, bedoeld in artikel 16, derde lid, van de WWIK.
2. Indien bij de toepassing van het eerste lid het bruto-inkomen van de kunstenaar uitkomt op een negatief bedrag, wordt het inkomen op nihil gesteld.
3. Indien in de situatie, bedoeld in het tweede lid, de kunstenaar aantoont dat de werkelijke beroepskosten de omzet en het bruto-inkomen overstijgen, worden in afwijking van het tweede lid, de resterende meerkosten in mindering gebracht op het bruto-inkomen van zijn echtgenoot.
4. Indien de kunstenaar aantoont dat zijn werkelijke beroepskosten hoger zijn dan het in het eerste lid genoemde bedrag worden deze werkelijke kosten in aanmerking genomen bij de omzet of het bruto-inkomen van de kunstenaar en het bruto-inkomen van zijn echtgenoot.
5. Bij de toepassing van artikel 16, derde lid, van de WWIK, worden het bedrag, bedoeld in het eerste lid, en de werkelijke beroepskosten, bedoeld in het derde en vierde lid, verlaagd naar evenredigheid van de in aanmerking te nemen periode, bedoeld in artikel 16, derde lid, van de WWIK.