BWBR0017745
Geldig vanaf 2005-12-09
Artikel 12
Wet financiering sociale verzekeringen
1. De heffingskorting voor de volksverzekeringen is de som van:
a. indien betrokkene premieplichtig is voor de algemene ouderdomsverzekering: de op grond van hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 berekende heffingskorting voor de algemene ouderdomsverzekering;
b. indien betrokkene premieplichtig is voor de nabestaandenverzekering: de op grond van hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 berekende heffingskorting voor de nabestaandenverzekering;
c. indien betrokkene premieplichtig is voor de verzekering langdurige zorg: de op grond van hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 berekende heffingskorting voor de verzekering langdurige zorg.
2. Indien de premie voor de volksverzekeringen bij wijze van inhouding wordt geheven, worden voor de toepassing van het eerste lid de heffingskortingen, genoemd in <a href="/wet/BWBR0011353/artikel/8.2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 8.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001</a>, die geen deel uitmaken van de standaardloonheffingskorting, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0002471/artikel/21c" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 21c van de Wet op de loonbelasting 1964</a>, geacht geen deel uit te maken van de standaardheffingskorting, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0011353/artikel/8.2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 8.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001</a>.
3. De heffingskorting, bedoeld in het eerste lid, geldt ten aanzien van degene die het gehele kalenderjaar premieplichtig is. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor de bepaling van de heffingskorting ten aanzien van degene die een gedeelte van het jaar premieplichtig is.
a. indien betrokkene premieplichtig is voor de algemene ouderdomsverzekering: de op grond van hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 berekende heffingskorting voor de algemene ouderdomsverzekering;
b. indien betrokkene premieplichtig is voor de nabestaandenverzekering: de op grond van hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 berekende heffingskorting voor de nabestaandenverzekering;
c. indien betrokkene premieplichtig is voor de verzekering langdurige zorg: de op grond van hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 berekende heffingskorting voor de verzekering langdurige zorg.
2. Indien de premie voor de volksverzekeringen bij wijze van inhouding wordt geheven, worden voor de toepassing van het eerste lid de heffingskortingen, genoemd in <a href="/wet/BWBR0011353/artikel/8.2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 8.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001</a>, die geen deel uitmaken van de standaardloonheffingskorting, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0002471/artikel/21c" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 21c van de Wet op de loonbelasting 1964</a>, geacht geen deel uit te maken van de standaardheffingskorting, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0011353/artikel/8.2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 8.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001</a>.
3. De heffingskorting, bedoeld in het eerste lid, geldt ten aanzien van degene die het gehele kalenderjaar premieplichtig is. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor de bepaling van de heffingskorting ten aanzien van degene die een gedeelte van het jaar premieplichtig is.