BWBR0017728
Geldig vanaf 2019-12-11
Artikel 33
Regeling veiligheid zeeschepen
1. Scheepsuitrusting als bedoeld in de Wet scheepsuitrusting 2016mag slechts aan boord worden geplaatst, indien de scheepsuitrusting:
a. is voorzien van een stuurwielmarkering als bedoeld in de Wet scheepsuitrusting 2016, of
b. vergezeld gaat van: 1°. een certificaat van gelijkwaardigheid als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de Wet scheepsuitrusting 2016;
2°. een certificaat van gelijkwaardigheid ten behoeve van technische innovatie als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Regeling scheepsuitrusting 2016, of
3°. een certificaat ten behoeve van beproeving als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Regeling scheepsuitrusting 2016.
1°. een certificaat van gelijkwaardigheid als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de Wet scheepsuitrusting 2016;
2°. een certificaat van gelijkwaardigheid ten behoeve van technische innovatie als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Regeling scheepsuitrusting 2016, of
3°. een certificaat ten behoeve van beproeving als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Regeling scheepsuitrusting 2016.
2. Gebruik van scheepsuitrusting waarvoor een certificaat als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b of onderdeel c, is afgegeven, is slechts toegestaan met inachtneming van de aan het desbetreffende certificaat verbonden voorschriften of beperkingen. In het geval van beproeving blijft de oorspronkelijke stuurwielgemarkeerde scheepsuitrusting aan boord en zal die uitrusting te allen tijde gereed zijn voor onmiddellijk gebruik.
3. Indien een schip zich in een haven buiten de Europese Unie bevindt en het vanuit het oogpunt van termijnen en kosten redelijkerwijs niet uitvoerbaar is om uitrusting aan boord te plaatsen waarvoor overeenkomstig richtlijn 2014/90/EU een EG-typegoedkeuring is verleend, kan in afwijking van het eerste lid, in uitzonderlijke omstandigheden vervangende scheepsuitrusting aan boord worden geplaatst die niet overeenkomstig richtlijn 2014/90/EU is goedgekeurd, mits daarbij wordt voldaan aan de in artikel 32, eerste tot en met vierde lid, van die richtlijn genoemde voorwaarden.
4. Indien is aangetoond dat scheepsuitrusting waarop een stuurwielmarkering als bedoeld in de Wet scheepsuitrusting 2016is aangebracht niet in de handel verkrijgbaar is, kan in afwijking van het eerste lid, de minister toestemming verlenen om vervangende scheepsuitrusting aan boord te plaatsen, mits daarbij wordt voldaan aan de in artikel 32, vijfde tot en met achtste lid, van de richtlijn 2014/90/EU genoemde voorwaarden.
a. is voorzien van een stuurwielmarkering als bedoeld in de Wet scheepsuitrusting 2016, of
b. vergezeld gaat van: 1°. een certificaat van gelijkwaardigheid als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de Wet scheepsuitrusting 2016;
2°. een certificaat van gelijkwaardigheid ten behoeve van technische innovatie als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Regeling scheepsuitrusting 2016, of
3°. een certificaat ten behoeve van beproeving als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Regeling scheepsuitrusting 2016.
1°. een certificaat van gelijkwaardigheid als bedoeld in artikel 5, derde lid, van de Wet scheepsuitrusting 2016;
2°. een certificaat van gelijkwaardigheid ten behoeve van technische innovatie als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Regeling scheepsuitrusting 2016, of
3°. een certificaat ten behoeve van beproeving als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Regeling scheepsuitrusting 2016.
2. Gebruik van scheepsuitrusting waarvoor een certificaat als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b of onderdeel c, is afgegeven, is slechts toegestaan met inachtneming van de aan het desbetreffende certificaat verbonden voorschriften of beperkingen. In het geval van beproeving blijft de oorspronkelijke stuurwielgemarkeerde scheepsuitrusting aan boord en zal die uitrusting te allen tijde gereed zijn voor onmiddellijk gebruik.
3. Indien een schip zich in een haven buiten de Europese Unie bevindt en het vanuit het oogpunt van termijnen en kosten redelijkerwijs niet uitvoerbaar is om uitrusting aan boord te plaatsen waarvoor overeenkomstig richtlijn 2014/90/EU een EG-typegoedkeuring is verleend, kan in afwijking van het eerste lid, in uitzonderlijke omstandigheden vervangende scheepsuitrusting aan boord worden geplaatst die niet overeenkomstig richtlijn 2014/90/EU is goedgekeurd, mits daarbij wordt voldaan aan de in artikel 32, eerste tot en met vierde lid, van die richtlijn genoemde voorwaarden.
4. Indien is aangetoond dat scheepsuitrusting waarop een stuurwielmarkering als bedoeld in de Wet scheepsuitrusting 2016is aangebracht niet in de handel verkrijgbaar is, kan in afwijking van het eerste lid, de minister toestemming verlenen om vervangende scheepsuitrusting aan boord te plaatsen, mits daarbij wordt voldaan aan de in artikel 32, vijfde tot en met achtste lid, van de richtlijn 2014/90/EU genoemde voorwaarden.