BWBR0017320
Geldig vanaf 2004-10-30
Artikel 2
Werkgeversbijdrage kinderopvang onderwijspersoneel
1. De werkgeversbijdrage kan worden aangevraagd door al het personeel dat is benoemd door een bevoegd gezag of een centrale dienst als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentraen de Wet op het voortgezet onderwijsen dat als ouder/verzorger is belast met de feitelijke verzorging van het kind van 0 jaar tot het tijdstip waarop het kind naar het voortgezet onderwijs gaat en waarvoor kosten voor kinderopvang (gaan) worden gemaakt.
2. Een aanvrager met een partner kan slechts een aanvraag indienen indien de partner voldoet aan de voorwaarden voor de tegemoetkoming van het Rijk, zoals omschreven in artikel 6, eerste 1 van de Wet kinderopvang.
3. Alleen voor kinderopvang in een geregistreerd kindercentrum of gastouderopvang via een geregistreerd gastouderbureau kan een werkgeversbijdrage worden aangevraagd.
4. Het aantal uren kinderopvang waarvoor een werkgeversbijdrage wordt aangevraagd moet in redelijkheid overeenkomen met de betrekkingsomvang en de reistijd van en naar het werk.
5. Dagdelen waarop aantoonbaar een opfriscursus of studie voor zijn bevoegdheidseis wordt gevolgd, worden gelijkgeschakeld met een aanwezigheidsperiode op school. Gedurende deze periode kan betrokkene gebruik maken van de regeling.
6. De toekenning van een werkgeversbijdrage eindigt wanneer meer dan 6 maanden geen declaratie voor de kosten voor kinderopvang is ingediend, tenzij de ouder gemotiveerd aan Kintent heeft doorgegeven dat deze gedurende een periode langer dan 6 maanden geen gebruik zal maken van kinderopvang.
7. Wanneer de ouder die een uitkering ontvangt op grond van het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs(BBWO) en aan wie in de daaraan voorafgaande aanstelling een werkgeversbijdrage is toegekend, binnen zes maanden na de ingangsdatum van de uitkering opnieuw in het onderwijs wordt aangesteld, behoeft deze ouder niet opnieuw een aanvraag als bedoeld in artikel 5in te dienen.
2. Een aanvrager met een partner kan slechts een aanvraag indienen indien de partner voldoet aan de voorwaarden voor de tegemoetkoming van het Rijk, zoals omschreven in artikel 6, eerste 1 van de Wet kinderopvang.
3. Alleen voor kinderopvang in een geregistreerd kindercentrum of gastouderopvang via een geregistreerd gastouderbureau kan een werkgeversbijdrage worden aangevraagd.
4. Het aantal uren kinderopvang waarvoor een werkgeversbijdrage wordt aangevraagd moet in redelijkheid overeenkomen met de betrekkingsomvang en de reistijd van en naar het werk.
5. Dagdelen waarop aantoonbaar een opfriscursus of studie voor zijn bevoegdheidseis wordt gevolgd, worden gelijkgeschakeld met een aanwezigheidsperiode op school. Gedurende deze periode kan betrokkene gebruik maken van de regeling.
6. De toekenning van een werkgeversbijdrage eindigt wanneer meer dan 6 maanden geen declaratie voor de kosten voor kinderopvang is ingediend, tenzij de ouder gemotiveerd aan Kintent heeft doorgegeven dat deze gedurende een periode langer dan 6 maanden geen gebruik zal maken van kinderopvang.
7. Wanneer de ouder die een uitkering ontvangt op grond van het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs(BBWO) en aan wie in de daaraan voorafgaande aanstelling een werkgeversbijdrage is toegekend, binnen zes maanden na de ingangsdatum van de uitkering opnieuw in het onderwijs wordt aangesteld, behoeft deze ouder niet opnieuw een aanvraag als bedoeld in artikel 5in te dienen.