BWBR0017312
Geldig vanaf 2004-10-28
Artikel 10
Regeling subsidieprogramma kennisexploitatie
1. De minister wint omtrent de aanvragen waarop niet met toepassing van artikel 9afwijzend is beslist, het advies in van de Adviescommissie kennisexploitatie.
2. De minister beslist, daarbij geadviseerd door de adviescommissie, afwijzend op een aanvraag of op een onderdeel van een aanvraag indien hij van oordeel is dat:
a. niet aannemelijk is dat het kennisexploitatieproject binnen vier jaren kan worden voltooid;
b. niet aannemelijk is dat het kennisexploitatieproject, al dan niet in combinatie met andere activiteiten en voorzieningen, voorziet in een aanbod van alle activiteiten als bedoeld in artikel 2, tweede lid;
c. aannempelijk is dat bij de activiteiten, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, en bij de overdracht van octrooi-aanvragen of octrooien of bij de verlening van licenties op octrooi-aanvragen of octrooien naar aanleiding van de in artikel 2, tweede lid, onder b, bedoelde activiteiten, zodanige voorwaarden worden gesteld dat derden niet of slechts zeer beperkt in staat worden gesteld kennis te verwerven;
d. het kennisexploitatieproject onvoldoende rekening houdt met de categorie van technostarters die niet afkomstig zijn van de kennisinstelling die deel uitmaakt van het kennisexploitatieverband;
e. onvoldoende vertrouwen bestaat in de haalbaarheid van het kennisexploitatieproject;
f. onvoldoende aannemelijk is dat ten minste één kennisinstelling en één onderneming direct betrokken is bij de uitvoering van het kennisexploitatieproject;
g. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben om het kennisexploitatieproject naar behoren uit te voeren;
h. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de activiteiten, bedoeld in artikel 2, tweede lid, na afloop van het kennisexploitatieproject op structurele basis worden voortgezet.
3. De minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrechtde gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.
2. De minister beslist, daarbij geadviseerd door de adviescommissie, afwijzend op een aanvraag of op een onderdeel van een aanvraag indien hij van oordeel is dat:
a. niet aannemelijk is dat het kennisexploitatieproject binnen vier jaren kan worden voltooid;
b. niet aannemelijk is dat het kennisexploitatieproject, al dan niet in combinatie met andere activiteiten en voorzieningen, voorziet in een aanbod van alle activiteiten als bedoeld in artikel 2, tweede lid;
c. aannempelijk is dat bij de activiteiten, bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder a, en bij de overdracht van octrooi-aanvragen of octrooien of bij de verlening van licenties op octrooi-aanvragen of octrooien naar aanleiding van de in artikel 2, tweede lid, onder b, bedoelde activiteiten, zodanige voorwaarden worden gesteld dat derden niet of slechts zeer beperkt in staat worden gesteld kennis te verwerven;
d. het kennisexploitatieproject onvoldoende rekening houdt met de categorie van technostarters die niet afkomstig zijn van de kennisinstelling die deel uitmaakt van het kennisexploitatieverband;
e. onvoldoende vertrouwen bestaat in de haalbaarheid van het kennisexploitatieproject;
f. onvoldoende aannemelijk is dat ten minste één kennisinstelling en één onderneming direct betrokken is bij de uitvoering van het kennisexploitatieproject;
g. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben om het kennisexploitatieproject naar behoren uit te voeren;
h. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de activiteiten, bedoeld in artikel 2, tweede lid, na afloop van het kennisexploitatieproject op structurele basis worden voortgezet.
3. De minister verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrechtde gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.