BWBR0017203
Geldig vanaf 2004-09-19
Artikel 10
Regeling subsidies diensten Kenniswijk 2004
1. De minister beslist afwijzend op een aanvraag voor een klein dienstenproject indien:
a. de aanvraag niet voldoet aan deze regeling;
b. aannemelijk is, dat het project ook zonder de subsidie zonder belangrijke vertraging zou worden uitgevoerd;
c. onvoldoende aannemelijk is dat het project past binnen de doelstelling, genoemd in artikel 2, eerste lid;
d. het project een onvoldoende experimenteel en innovatief karakter heeft;
e. de maatschappelijke of economische perspectieven van het project onvoldoende zijn onderbouwd;
f. onvoldoende vertrouwen bestaat in de financiële haalbaarheid van het project;
g. onvoldoende vertrouwen bestaat dat op basis van het projectplan het project naar behoren kan worden uitgevoerd.
2. De minister verdeelt het beschikbare bedrag voor kleine dienstenprojecten in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrechtde gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.
a. de aanvraag niet voldoet aan deze regeling;
b. aannemelijk is, dat het project ook zonder de subsidie zonder belangrijke vertraging zou worden uitgevoerd;
c. onvoldoende aannemelijk is dat het project past binnen de doelstelling, genoemd in artikel 2, eerste lid;
d. het project een onvoldoende experimenteel en innovatief karakter heeft;
e. de maatschappelijke of economische perspectieven van het project onvoldoende zijn onderbouwd;
f. onvoldoende vertrouwen bestaat in de financiële haalbaarheid van het project;
g. onvoldoende vertrouwen bestaat dat op basis van het projectplan het project naar behoren kan worden uitgevoerd.
2. De minister verdeelt het beschikbare bedrag voor kleine dienstenprojecten in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrechtde gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.