BWBR0017108
Geldig vanaf 2004-09-15
Artikel 2
Besluit vaststelling begrip liquide middelen ex artikel 23, zesde lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, enz.
1. Ontheffing van het verbod, bedoeld in artikel 82, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, kan worden verleend indien de aanvrager beschikt over een garantstelling voor alle verplichtingen die ontstaan door het bedrijfsmatig van het publiek aantrekken, ter beschikking verkrijgen of ter beschikking hebbenvan al dan niet op termijn opvorderbare gelden, welke garantstelling is verstrekt door:
a. een onderneming of instelling met een positief geconsolideerd eigen vermogen, waarvan de aanvrager dochtermaatschappij is;
b. een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 die ingevolge artikel 52, tweede lid, onderdelen a, b, c, of d, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 is ingeschreven of een met een kredietinstelling overeenkomende onderneming of instelling die haar zetel heeft in een andere lidstaat, de Verenigde Staten van Amerika, Japan, Australië, Canada of Zwitserland en onder toezicht staat dat vergelijkbaar is met het toezicht ingevolge de Wet toezicht kredietwezen 1992; of
c. de Staat der Nederlanden of een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet financiering decentrale overheden.
2. Onverminderd het eerste lid, kan de Bank andere categorieën ondernemingen of instellingen aanwijzen die een garantstelling als bedoeld in het eerste lid kunnen verstrekken.
3. De ontheffinghouder dient jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar een jaarrekening als bedoeld in artikel 361, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboekbij de Bank in. De jaarrekening is voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboekover de getrouwheid van de jaarrekening. De jaarrekening vermeldt de totale waarde van de financiële verplichtingen die zijn ontstaan door het bedrijfsmatig van het publiek aantrekken, ter beschikking verkrijgen of ter beschikking hebben van al dan niet op termijn opvorderbare gelden. Uit de verklaring van de accountant blijkt dat de totale waarde van deze financiële verplichtingen wordt gedekt door de in het eerste lid bedoelde garantstelling.
4. Dit artikel is niet van toepassing op:
a. aanvragers en houders van een ontheffing die ingevolge enig wettelijk voorschrift beschikken over een door de Bank of de Stichting Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning; en
b. aanvragers en houders van een ontheffing die bemiddelen ter zake van het bedrijfsmatig van het publiek aantrekken of ter beschikking verkrijgen van al dan niet op termijn opvorderbare gelden, zonder die gelden zelf aan te trekken, ter beschikking te verkrijgen of op enig moment ter beschikking te hebben.
a. een onderneming of instelling met een positief geconsolideerd eigen vermogen, waarvan de aanvrager dochtermaatschappij is;
b. een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 die ingevolge artikel 52, tweede lid, onderdelen a, b, c, of d, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 is ingeschreven of een met een kredietinstelling overeenkomende onderneming of instelling die haar zetel heeft in een andere lidstaat, de Verenigde Staten van Amerika, Japan, Australië, Canada of Zwitserland en onder toezicht staat dat vergelijkbaar is met het toezicht ingevolge de Wet toezicht kredietwezen 1992; of
c. de Staat der Nederlanden of een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van de Wet financiering decentrale overheden.
2. Onverminderd het eerste lid, kan de Bank andere categorieën ondernemingen of instellingen aanwijzen die een garantstelling als bedoeld in het eerste lid kunnen verstrekken.
3. De ontheffinghouder dient jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar een jaarrekening als bedoeld in artikel 361, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboekbij de Bank in. De jaarrekening is voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboekover de getrouwheid van de jaarrekening. De jaarrekening vermeldt de totale waarde van de financiële verplichtingen die zijn ontstaan door het bedrijfsmatig van het publiek aantrekken, ter beschikking verkrijgen of ter beschikking hebben van al dan niet op termijn opvorderbare gelden. Uit de verklaring van de accountant blijkt dat de totale waarde van deze financiële verplichtingen wordt gedekt door de in het eerste lid bedoelde garantstelling.
4. Dit artikel is niet van toepassing op:
a. aanvragers en houders van een ontheffing die ingevolge enig wettelijk voorschrift beschikken over een door de Bank of de Stichting Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning; en
b. aanvragers en houders van een ontheffing die bemiddelen ter zake van het bedrijfsmatig van het publiek aantrekken of ter beschikking verkrijgen van al dan niet op termijn opvorderbare gelden, zonder die gelden zelf aan te trekken, ter beschikking te verkrijgen of op enig moment ter beschikking te hebben.