BWBR0016800
Geldig vanaf 2004-07-03
Artikel 29
Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit Inspectie Werk en Inkomen 2004
1. Elk van de directeuren is bevoegd om namens een bewindspersoon dan wel de inspecteur-generaal besluiten te nemen, overeenkomsten aan te gaan en handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn, voor zover zij verband houden met het werkterrein van zijn directie, tenzij deze zijn voorbehouden aan een bewindspersoon, de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal, of de inspecteur-generaal.
2. Aan elk van de directeuren wordt mandaat en machtiging verleend met betrekking tot het nemen van besluiten over en het vaststellen en ondertekenen van stukken die betrekking hebben op:
a. de specifieke taken van de directie, met uitzondering van stukken waarvan, gelet op het belang daarvan, redelijkerwijze kan worden vermoed dat deze door de algemeen directeur moeten worden afgedaan;
b. de in artikel 5, onderdeel d, genoemde personeelsaangelegenheden;
c. de behandeling van klachten als bedoeld in artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht voor zover deze betrekking hebben op gedragingen van de onder elk van hen ressorterende functionarissen.
3. De in het eerste lid genoemde bevoegdheid om overeenkomsten aan te gaan is beperkt tot overeenkomsten met een waarde van € 20.000,– per overeenkomst, met dien verstande dat de volgende overeenkomsten mogen worden aangegaan tot een waarde van € 500.000,– per overeenkomst:
a. overeenkomsten die voortvloeien uit het door de algemeen directeur vastgestelde directieplan;
b. overeenkomsten voor het opleiden van de medewerkers van de directie, voor zover deze voortvloeien uit een door de algemeen directeur vastgesteld opleidingsplan;
c. overeenkomsten voor het inhuren van personeel voor de uitvoering van werkzaamheden die onder de directe verantwoordelijkheid van het management van de inspectie worden verricht;
d. arbeidsovereenkomsten naar burgerlijk recht;
e. overeenkomsten met betrekking tot onderzoek.
2. Aan elk van de directeuren wordt mandaat en machtiging verleend met betrekking tot het nemen van besluiten over en het vaststellen en ondertekenen van stukken die betrekking hebben op:
a. de specifieke taken van de directie, met uitzondering van stukken waarvan, gelet op het belang daarvan, redelijkerwijze kan worden vermoed dat deze door de algemeen directeur moeten worden afgedaan;
b. de in artikel 5, onderdeel d, genoemde personeelsaangelegenheden;
c. de behandeling van klachten als bedoeld in artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht voor zover deze betrekking hebben op gedragingen van de onder elk van hen ressorterende functionarissen.
3. De in het eerste lid genoemde bevoegdheid om overeenkomsten aan te gaan is beperkt tot overeenkomsten met een waarde van € 20.000,– per overeenkomst, met dien verstande dat de volgende overeenkomsten mogen worden aangegaan tot een waarde van € 500.000,– per overeenkomst:
a. overeenkomsten die voortvloeien uit het door de algemeen directeur vastgestelde directieplan;
b. overeenkomsten voor het opleiden van de medewerkers van de directie, voor zover deze voortvloeien uit een door de algemeen directeur vastgesteld opleidingsplan;
c. overeenkomsten voor het inhuren van personeel voor de uitvoering van werkzaamheden die onder de directe verantwoordelijkheid van het management van de inspectie worden verricht;
d. arbeidsovereenkomsten naar burgerlijk recht;
e. overeenkomsten met betrekking tot onderzoek.