BWBR0016590
Geldig vanaf 2004-06-01
Artikel 2
Regeling ziekenvervoer Ziekenfondswet
1. De verzekerde heeft aanspraak op ziekenvervoer per auto, anders dan per ambulance als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet ambulancevervoer, dan wel op vergoeding voor vervoer in de laagste klasse van een openbaar middel van vervoer voor zover:
a. de verzekerde nierdialyses moet ondergaan;
b. de verzekerde oncologische behandelingen met chemotherapie of radiotherapie moet ondergaan;
c. de verzekerde zich uitsluitend met een rolstoel kan verplaatsen;
d. het gezichtsvermogen van de verzekerde zodanig is beperkt dat hij zich niet zonder begeleiding kan verplaatsen.
2. De aanspraak op grond van het eerste lid ten aanzien van de verzekerden, bedoeld in de onderdelen c en d, bestaat uitsluitend indien het vervoer omvat als omschreven in artikel 1, eerste lid, onderdelen a tot en met f.
3. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, heeft de verzekerde eveneens de in dat lid omschreven aanspraak ter zake van het vervoer terug naar zijn woning of een andere woning, indien hij in zijn woning redelijkerwijze niet de nodige verzorging kan krijgen.
4. De verzekerde heeft slechts aanspraak op ziekenvervoer indien het ziekenfonds daarvoor vooraf toestemming heeft gegeven. De aanvraag om toestemming gaat vergezeld van een verklaring van de behandelende arts dat een van de in het eerste lid bedoelde situaties op de verzekerde van toepassing is.
5. Bij zijn toestemming, bedoeld in het eerste lid, geeft het ziekenfonds aan voor welke vorm van vervoer deze toestemming geldt en voor welke duur.
a. de verzekerde nierdialyses moet ondergaan;
b. de verzekerde oncologische behandelingen met chemotherapie of radiotherapie moet ondergaan;
c. de verzekerde zich uitsluitend met een rolstoel kan verplaatsen;
d. het gezichtsvermogen van de verzekerde zodanig is beperkt dat hij zich niet zonder begeleiding kan verplaatsen.
2. De aanspraak op grond van het eerste lid ten aanzien van de verzekerden, bedoeld in de onderdelen c en d, bestaat uitsluitend indien het vervoer omvat als omschreven in artikel 1, eerste lid, onderdelen a tot en met f.
3. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, heeft de verzekerde eveneens de in dat lid omschreven aanspraak ter zake van het vervoer terug naar zijn woning of een andere woning, indien hij in zijn woning redelijkerwijze niet de nodige verzorging kan krijgen.
4. De verzekerde heeft slechts aanspraak op ziekenvervoer indien het ziekenfonds daarvoor vooraf toestemming heeft gegeven. De aanvraag om toestemming gaat vergezeld van een verklaring van de behandelende arts dat een van de in het eerste lid bedoelde situaties op de verzekerde van toepassing is.
5. Bij zijn toestemming, bedoeld in het eerste lid, geeft het ziekenfonds aan voor welke vorm van vervoer deze toestemming geldt en voor welke duur.