BWBR0016435
Geldig vanaf 2004-03-01
Artikel 16
Besluit voorschrift informatiebeveiliging rijksdienst – bijzondere informatie
1. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties rapporteert eens in de twee jaar aan de ministerraad over de beveiliging van bijzondere informatie binnen de rijksdienst.
2. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan met instemming van de betrokken minister bij een ministerie onderzoek verrichten naar de beveiliging van staatsgeheimen. Bij het Ministerie van Defensie kan dit onderzoek worden verricht door de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.
3. De minister verstrekt desgevraagd informatie en verleent medewerking aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ten behoeve van diens taken zoals genoemd in dit artikel.
Deze bepaling is opgenomen om rijksbreed een goed en consistent niveau te bevorderen van beveiliging van bijzondere informatie in het algemeen en van staatsgeheimen in het bijzonder. De taken van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vloeien wat staatsgeheimen betreft voort uit zijn verantwoordelijkheid voor de taak van de onder hem ressorterende Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst om de beveiliging van staatsgeheimen te bevorderen ( <a href="/wet/BWBR0013409/artikel/6" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 6, derde lid onder c Wiv</a>); voor de overige bijzondere informatie wordt hierbij om praktische redenen aangesloten. Voor de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst vloeit deze taak voort uit <a href="/wet/BWBR0013409/artikel/7" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 7, tweede lid onder d Wiv</a>.
De in het eerste lid bedoelde rapportage van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de ministerraad heeft ook betrekking op het Ministerie van Defensie en zal naar verwachting in ieder geval de aspecten omvatten:
– incidenten die zich hebben voorgedaan bij de beveiliging van bijzondere informatie en eventuele trends die daarbij zijn waar te nemen;
– ervaringen met de implementatie van het voorschrift en suggesties voor de oplossing van eventuele meer algemene problemen. Bij dit laatste kan onder meer worden gedacht aan de hoeveelheid bijzondere informatie die binnen een ministerie omgaat en eventuele trends die daarbij zijn waar te nemen.
Voor deze rapportage kan onder meer gebruik worden gemaakt van de gegevens afkomstig uit de evaluatie als bedoeld in artikel 13, tweede lid onder c.
2. De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan met instemming van de betrokken minister bij een ministerie onderzoek verrichten naar de beveiliging van staatsgeheimen. Bij het Ministerie van Defensie kan dit onderzoek worden verricht door de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.
3. De minister verstrekt desgevraagd informatie en verleent medewerking aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ten behoeve van diens taken zoals genoemd in dit artikel.
Deze bepaling is opgenomen om rijksbreed een goed en consistent niveau te bevorderen van beveiliging van bijzondere informatie in het algemeen en van staatsgeheimen in het bijzonder. De taken van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vloeien wat staatsgeheimen betreft voort uit zijn verantwoordelijkheid voor de taak van de onder hem ressorterende Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst om de beveiliging van staatsgeheimen te bevorderen ( <a href="/wet/BWBR0013409/artikel/6" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 6, derde lid onder c Wiv</a>); voor de overige bijzondere informatie wordt hierbij om praktische redenen aangesloten. Voor de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst vloeit deze taak voort uit <a href="/wet/BWBR0013409/artikel/7" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 7, tweede lid onder d Wiv</a>.
De in het eerste lid bedoelde rapportage van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de ministerraad heeft ook betrekking op het Ministerie van Defensie en zal naar verwachting in ieder geval de aspecten omvatten:
– incidenten die zich hebben voorgedaan bij de beveiliging van bijzondere informatie en eventuele trends die daarbij zijn waar te nemen;
– ervaringen met de implementatie van het voorschrift en suggesties voor de oplossing van eventuele meer algemene problemen. Bij dit laatste kan onder meer worden gedacht aan de hoeveelheid bijzondere informatie die binnen een ministerie omgaat en eventuele trends die daarbij zijn waar te nemen.
Voor deze rapportage kan onder meer gebruik worden gemaakt van de gegevens afkomstig uit de evaluatie als bedoeld in artikel 13, tweede lid onder c.