Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. bijzondere informatie: staatsgeheimen en overige bijzondere informatie waarvan kennisname door niet gerechtigden nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen van de Staat, van zijn bondgenoten of van één of meer ministeries;
b. staatsgeheim: bijzondere informatie waarvan de geheimhouding door het belang van de Staat of zijn bondgenoten wordt geboden;
c. rubriceren: vaststellen en aangeven dat een gegeven bijzondere informatie is en het bepalen en aangeven van de mate van beveiliging die aan deze informatie moet worden gegeven;
d. merking: aanduiding die een bepaalde wijze van behandelen van bijzondere informatie aangeeft;
e. beveiligen: beschermen van bijzondere informatie tegen kennisname door niet gerechtigden;
f. minister: elke minister voor wat het onder zijn leiding staande ministerie en de daaronder ressorterende diensten, bedrijven en instellingen betreft;
g. compromittering: de kennisname dan wel de mogelijkheid tot kennisnemen door een niet gerechtigde van bijzondere informatie;
h. Vir: Besluit voorschrift informatiebeveiliging rijksdienst 1994;
i. Wvo: Wet veiligheidsonderzoeken;
j. Wob: Wet openbaarheid van bestuur;
k. BVA: de beveiligingsambtenaar als bedoeld in het Beveiligingsvoorschrift I, 1949;
l. BIB-beraad: Bijzondere Informatie Beveiligingsberaad, zoals ingesteld door de Ministers van Binnenlandse Zaken, van Buitenlandse Zaken en van Defensie op 1 juni 1998 (Stct. 110), laatstelijk gewijzigd op 17 maart 2000 (Stct. 96).
Het Virbevat algemene regels voor de beveiliging van informatie binnen de rijksoverheid.
Binnen deze informatie bestaat informatie waarvan de kennisname door niet gerechtigden schade of nadeel op kan leveren voor de Staat, zijn bondgenoten of een of meer ministeries. Om deze reden moeten er bij deze informatie hogere eisen worden gesteld aan de waarborging van de exclusiviteit, dat wil zeggen de mate waarin de toegang tot de informatie is beperkt tot een gedefinieerde groep van gerechtigden. Deze informatie wordt bijzondere informatie genoemd.
Bijzondere informatie bestaat uit staatsgeheimen en uit overige kwetsbare informatie (niet-staatsgeheime bijzondere informatie), die weliswaar geen staatsgeheim is, maar toch meer beveiliging behoeft dan het algemene beveiligingsniveau biedt. Niet-staatsgeheime bijzondere informatie is dikwijls al op basis van een departementale regeling gemerkt, bijvoorbeeld ‘BZ-vertrouwelijk’ voor informatie, waarvan kennisname door niet bevoegden kan leiden tot nadelige gevolgen voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Voorbeelden van categorieën niet-staatsgeheime bijzondere informatie zijn opgenomen in bijlage 2van dit voorschrift. Deze voorbeelden hebben geen limitatief karakter; ze dienen als hulpmiddel bij het vastleggen in het beleidsdocument van de soorten bijzondere informatie die zich op een ministerie bevinden (zie artikel 13, tweede lid, onder a).
Er moeten pas hogere eisen aan de waarborging van de exclusiviteit worden gesteld indien er risico’s zijn die dat rechtvaardigen. Daarom stelt de definitie van ‘bijzondere informatie’ in artikel 1 onder aals eis dat er sprake moet zijn van nadelige gevolgen voor de belangen van de Staat, zijn bondgenoten of van één of meer van zijn ministeries indien niet-gerechtigden hiervan kunnen kennisnemen. Het nadeel kan soms zo ernstig zijn, dat er sprake is van schade. In bijlage 2van dit voorschrift zijn voorbeelden opgenomen van categorieën van informatie waarbij sprake kan zijn van de hier bedoelde nadelige gevolgen. Gerechtigd om kennis te nemen van staatsgeheimen zijn personen met een verklaring van geen bezwaar op grond van de Wet veiligheidsonderzoeken(Wvo); in alle gevallen van kennisname van bijzondere informatie is een ‘need to know’ vereist, dat wil zeggen dat voor de betrokkene toegang tot de bijzondere informatie noodzakelijk is om een uit zijn functie voortvloeiende taak te kunnen vervullen.
De omschrijving van het begrip staatsgeheim is ontleend aan de omschrijving die het Wetboek van Strafrecht geeft in artikel 98.
Wat de verhouding van dit voorschrift tot de Wet openbaarheid van bestuur(Wob) betreft, wordt op het volgende gewezen. Het aanwijzen van informatie als ‘bijzonder’ betekent dat het beveiligingsregime van dit voorschrift op deze informatie moet worden toepast. Dit betekent uiteraard niet dat als dergelijke informatie op grond van de Wobwordt opgevraagd, dit verzoek zonder meer kan worden geweigerd. In dat geval wordt bezien of tot openbaarmaking kan worden overgegaan. Van openbaarmaking kan slechts worden afgeweken indien daarvoor een grond aanwezig is als bedoeld in artikel 10of 11 van de Wob.
a. bijzondere informatie: staatsgeheimen en overige bijzondere informatie waarvan kennisname door niet gerechtigden nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen van de Staat, van zijn bondgenoten of van één of meer ministeries;
b. staatsgeheim: bijzondere informatie waarvan de geheimhouding door het belang van de Staat of zijn bondgenoten wordt geboden;
c. rubriceren: vaststellen en aangeven dat een gegeven bijzondere informatie is en het bepalen en aangeven van de mate van beveiliging die aan deze informatie moet worden gegeven;
d. merking: aanduiding die een bepaalde wijze van behandelen van bijzondere informatie aangeeft;
e. beveiligen: beschermen van bijzondere informatie tegen kennisname door niet gerechtigden;
f. minister: elke minister voor wat het onder zijn leiding staande ministerie en de daaronder ressorterende diensten, bedrijven en instellingen betreft;
g. compromittering: de kennisname dan wel de mogelijkheid tot kennisnemen door een niet gerechtigde van bijzondere informatie;
h. Vir: Besluit voorschrift informatiebeveiliging rijksdienst 1994;
i. Wvo: Wet veiligheidsonderzoeken;
j. Wob: Wet openbaarheid van bestuur;
k. BVA: de beveiligingsambtenaar als bedoeld in het Beveiligingsvoorschrift I, 1949;
l. BIB-beraad: Bijzondere Informatie Beveiligingsberaad, zoals ingesteld door de Ministers van Binnenlandse Zaken, van Buitenlandse Zaken en van Defensie op 1 juni 1998 (Stct. 110), laatstelijk gewijzigd op 17 maart 2000 (Stct. 96).
Het Virbevat algemene regels voor de beveiliging van informatie binnen de rijksoverheid.
Binnen deze informatie bestaat informatie waarvan de kennisname door niet gerechtigden schade of nadeel op kan leveren voor de Staat, zijn bondgenoten of een of meer ministeries. Om deze reden moeten er bij deze informatie hogere eisen worden gesteld aan de waarborging van de exclusiviteit, dat wil zeggen de mate waarin de toegang tot de informatie is beperkt tot een gedefinieerde groep van gerechtigden. Deze informatie wordt bijzondere informatie genoemd.
Bijzondere informatie bestaat uit staatsgeheimen en uit overige kwetsbare informatie (niet-staatsgeheime bijzondere informatie), die weliswaar geen staatsgeheim is, maar toch meer beveiliging behoeft dan het algemene beveiligingsniveau biedt. Niet-staatsgeheime bijzondere informatie is dikwijls al op basis van een departementale regeling gemerkt, bijvoorbeeld ‘BZ-vertrouwelijk’ voor informatie, waarvan kennisname door niet bevoegden kan leiden tot nadelige gevolgen voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Voorbeelden van categorieën niet-staatsgeheime bijzondere informatie zijn opgenomen in bijlage 2van dit voorschrift. Deze voorbeelden hebben geen limitatief karakter; ze dienen als hulpmiddel bij het vastleggen in het beleidsdocument van de soorten bijzondere informatie die zich op een ministerie bevinden (zie artikel 13, tweede lid, onder a).
Er moeten pas hogere eisen aan de waarborging van de exclusiviteit worden gesteld indien er risico’s zijn die dat rechtvaardigen. Daarom stelt de definitie van ‘bijzondere informatie’ in artikel 1 onder aals eis dat er sprake moet zijn van nadelige gevolgen voor de belangen van de Staat, zijn bondgenoten of van één of meer van zijn ministeries indien niet-gerechtigden hiervan kunnen kennisnemen. Het nadeel kan soms zo ernstig zijn, dat er sprake is van schade. In bijlage 2van dit voorschrift zijn voorbeelden opgenomen van categorieën van informatie waarbij sprake kan zijn van de hier bedoelde nadelige gevolgen. Gerechtigd om kennis te nemen van staatsgeheimen zijn personen met een verklaring van geen bezwaar op grond van de Wet veiligheidsonderzoeken(Wvo); in alle gevallen van kennisname van bijzondere informatie is een ‘need to know’ vereist, dat wil zeggen dat voor de betrokkene toegang tot de bijzondere informatie noodzakelijk is om een uit zijn functie voortvloeiende taak te kunnen vervullen.
De omschrijving van het begrip staatsgeheim is ontleend aan de omschrijving die het Wetboek van Strafrecht geeft in artikel 98.
Wat de verhouding van dit voorschrift tot de Wet openbaarheid van bestuur(Wob) betreft, wordt op het volgende gewezen. Het aanwijzen van informatie als ‘bijzonder’ betekent dat het beveiligingsregime van dit voorschrift op deze informatie moet worden toepast. Dit betekent uiteraard niet dat als dergelijke informatie op grond van de Wobwordt opgevraagd, dit verzoek zonder meer kan worden geweigerd. In dat geval wordt bezien of tot openbaarmaking kan worden overgegaan. Van openbaarmaking kan slechts worden afgeweken indien daarvoor een grond aanwezig is als bedoeld in artikel 10of 11 van de Wob.