BWBR0015352
Geldig vanaf 2003-07-31
Artikel 7
Subsidieregeling innovatiearrangement 2003
1. De beoordelingscommissie geeft aan de minister in ieder geval een negatief advies indien:
a. de aanvraag niet voldoet aan de in artikel 5 vermelde eisen, of
b. de samenstelling van het samenwerkingsverband, de samenwerkingsbereidheid en de aanwezige deskundigheid binnen het samenwerkingsverband naar het oordeel van de beoordelingscommissie geen vertrouwen biedt in het tot een goed einde brengen van het project.
2. De beoordelingscommissie rangschikt de aanvragen waaromtrent zij positief adviseert zodanig, dat een aanvraag hoger gerangschikt wordt naar de mate waarin het project:
a) innovatief is;
b) bijdraagt aan de realisatie van de doelstelling en aan de versterking van de samenwerking tussen het beroepsonderwijs en het bedrijfsleven;
c) perspectief biedt op implementatie, en
d) duidelijk wordt beschreven in een projectplan dat zich kenmerkt door een hoge kwaliteit.
3. Indien bij de ranking, zoals vermeld in het tweede lid, meerdere projecten op een gelijke plaats eindigen en een keuze tussen deze projecten in verband met het bereiken van het subsidieplafond vereist is, prevaleert het project dat op het gebied van innovatie het hoogste scoort.
4. Indien de minister niet akkoord gaat met het advies inzake een of meer van de projecten treedt hij in overleg met de partijen van het Convenant om tot overeenstemming te komen over de toekenning van subsidie aan projecten.
5. De minister besluit uiterlijk 11 weken na afloop van de periode, bedoeld in artikel 4, vierde lid, waarin de aanvraag is ingediend, op de aanvraag. Indien de minister niet binnen 11 weken kan beslissen, deelt hij de aanvrager mee binnen welke termijn de beslissing wel tegemoet kan worden gezien.
6. De minister verdeelt het beschikbare bedrag, bedoeld in artikel 3, op basis van het advies van de beoordelingscommissie, bedoeld in het tweede lid.
7. De minister wijkt, met inachtneming van het bepaalde in vierde lid, niet dan gemotiveerd af van het advies van de beoordelingscommissie.
a. de aanvraag niet voldoet aan de in artikel 5 vermelde eisen, of
b. de samenstelling van het samenwerkingsverband, de samenwerkingsbereidheid en de aanwezige deskundigheid binnen het samenwerkingsverband naar het oordeel van de beoordelingscommissie geen vertrouwen biedt in het tot een goed einde brengen van het project.
2. De beoordelingscommissie rangschikt de aanvragen waaromtrent zij positief adviseert zodanig, dat een aanvraag hoger gerangschikt wordt naar de mate waarin het project:
a) innovatief is;
b) bijdraagt aan de realisatie van de doelstelling en aan de versterking van de samenwerking tussen het beroepsonderwijs en het bedrijfsleven;
c) perspectief biedt op implementatie, en
d) duidelijk wordt beschreven in een projectplan dat zich kenmerkt door een hoge kwaliteit.
3. Indien bij de ranking, zoals vermeld in het tweede lid, meerdere projecten op een gelijke plaats eindigen en een keuze tussen deze projecten in verband met het bereiken van het subsidieplafond vereist is, prevaleert het project dat op het gebied van innovatie het hoogste scoort.
4. Indien de minister niet akkoord gaat met het advies inzake een of meer van de projecten treedt hij in overleg met de partijen van het Convenant om tot overeenstemming te komen over de toekenning van subsidie aan projecten.
5. De minister besluit uiterlijk 11 weken na afloop van de periode, bedoeld in artikel 4, vierde lid, waarin de aanvraag is ingediend, op de aanvraag. Indien de minister niet binnen 11 weken kan beslissen, deelt hij de aanvrager mee binnen welke termijn de beslissing wel tegemoet kan worden gezien.
6. De minister verdeelt het beschikbare bedrag, bedoeld in artikel 3, op basis van het advies van de beoordelingscommissie, bedoeld in het tweede lid.
7. De minister wijkt, met inachtneming van het bepaalde in vierde lid, niet dan gemotiveerd af van het advies van de beoordelingscommissie.