BWBR0015352
Geldig vanaf 2003-07-31
Artikel 4
Subsidieregeling innovatiearrangement 2003
1. De minister verleent op aanvraag een subsidie voor een innovatiearrangement als bedoeld in artikel 1, onder g.
2. Een aanvraag voor subsidie wordt voor 1 september 2003 schriftelijk ingediend bij Senter.
3. Indien de aanvraag niet volledig is stelt Senter de aanvrager hiervan in kennis en krijgt de aanvrager de gelegenheid de aanvraag binnen twee weken aan te vullen.
4. De subsidie voor een project bedraagt per aanvraag maximaal 40% van de subsidiabele projectkosten, bedoeld in het zevende lid, en ten hoogste € 1.000.000,-.
5. De aanvraag bevat in ieder geval een projectvoorstel, opgesteld op basis van een door het Platform beroepsonderwijs ontwikkelde handleiding, die vergezeld gaat van een;
a) projectplan:
b. door alle participanten van het samenwerkingsverband ondertekende verklaring, waaruit blijkt dat de aanvrager bevoegd is voor rekening en risico van alle participanten van het samenwerkingsverband de aanvraag in te dienen;
c. begroting, en
d. beschrijving van de wijze waarop de publieke beschikbaarheid en verspreiding van de resultaten van het project tot stand komt.
6. Het projectplan bevat ten minste:
a. een omschrijving van reeds lopende innovatieve projecten in de scholen/instellingen van het samenwerkingsverband, de beoogde resultaten en de wijze waarop deze aantoonbaar worden gemaakt;
b. voor zover van toepassing een omschrijving van de wijze waarop van de inzet van ICT gebruik wordt gemaakt, en
c. de afspraken die de bedrijven/instellingen of natuurlijke personen van het samenwerkingsverband hebben vastgelegd omtrent coproductie, exploitatie en distributie.
7. Voor de berekening van de hoogte van de subsidie komen voor de kosten van het project uitsluitend in aanmerking:
a. loonkosten van personeel en van één of meer bedrijven/instellingen of natuurlijke personen van het samenwerkingsverband;
b. aan derden verschuldigde kosten terzake van door hen verrichte arbeid in het kader van het project, doch ten hoogste 25% van de totale projectkosten;
c. materiaalkosten van het project, alsmede de kosten van door de partners in een samenwerkingsverband beschikbaar gestelde faciliteiten, en
d. een opslag voor algemene kosten, niet hoger dan 40% van de onder a bedoelde loonkosten en de onder c bedoelde materiaalkosten van het project.
2. Een aanvraag voor subsidie wordt voor 1 september 2003 schriftelijk ingediend bij Senter.
3. Indien de aanvraag niet volledig is stelt Senter de aanvrager hiervan in kennis en krijgt de aanvrager de gelegenheid de aanvraag binnen twee weken aan te vullen.
4. De subsidie voor een project bedraagt per aanvraag maximaal 40% van de subsidiabele projectkosten, bedoeld in het zevende lid, en ten hoogste € 1.000.000,-.
5. De aanvraag bevat in ieder geval een projectvoorstel, opgesteld op basis van een door het Platform beroepsonderwijs ontwikkelde handleiding, die vergezeld gaat van een;
a) projectplan:
b. door alle participanten van het samenwerkingsverband ondertekende verklaring, waaruit blijkt dat de aanvrager bevoegd is voor rekening en risico van alle participanten van het samenwerkingsverband de aanvraag in te dienen;
c. begroting, en
d. beschrijving van de wijze waarop de publieke beschikbaarheid en verspreiding van de resultaten van het project tot stand komt.
6. Het projectplan bevat ten minste:
a. een omschrijving van reeds lopende innovatieve projecten in de scholen/instellingen van het samenwerkingsverband, de beoogde resultaten en de wijze waarop deze aantoonbaar worden gemaakt;
b. voor zover van toepassing een omschrijving van de wijze waarop van de inzet van ICT gebruik wordt gemaakt, en
c. de afspraken die de bedrijven/instellingen of natuurlijke personen van het samenwerkingsverband hebben vastgelegd omtrent coproductie, exploitatie en distributie.
7. Voor de berekening van de hoogte van de subsidie komen voor de kosten van het project uitsluitend in aanmerking:
a. loonkosten van personeel en van één of meer bedrijven/instellingen of natuurlijke personen van het samenwerkingsverband;
b. aan derden verschuldigde kosten terzake van door hen verrichte arbeid in het kader van het project, doch ten hoogste 25% van de totale projectkosten;
c. materiaalkosten van het project, alsmede de kosten van door de partners in een samenwerkingsverband beschikbaar gestelde faciliteiten, en
d. een opslag voor algemene kosten, niet hoger dan 40% van de onder a bedoelde loonkosten en de onder c bedoelde materiaalkosten van het project.