BWBR0015341
Geldig vanaf 2003-07-20
Artikel 4
Regeling uitkeringen beperkingengebied Schiphol
1. De aanvraag wordt voorafgaand aan de verwerving en sloop van een gebouw ingediend en bestaat in ieder geval uit de volgende gegevens:
a. de datum van de aanvraag;
b. de naam van de betrokken gemeente;
c. een korte omschrijving van het betrokken gebouw, bestaande uit een aanduiding van de plaatselijke en kadastrale bekendheid en de eigendoms- en gebruikssituatie daarvan;
d. een taxatierapport met betrekking tot het betrokken gebouw opgesteld door drie niet-ambtelijke deskundigen met een raming van: 1°. de verwervingskosten,
2°. de restwaarde van de ondergrond van het betrokken gebouw na de sloop daarvan,
3°. de vergoeding van de onderhoudskosten beheer ondergrond;
1°. de verwervingskosten,
2°. de restwaarde van de ondergrond van het betrokken gebouw na de sloop daarvan,
3°. de vergoeding van de onderhoudskosten beheer ondergrond;
e. een rapport van het milieutechnisch bodemonderzoek ter plaatse van het betrokken gebouw met een overzicht van de kosten van dat milieutechnisch bodemonderzoek;
f. een vermelding van te maken afspraken omtrent het mogelijke voortgezette gebruik na verwerving van het betrokken gebouw met een toelichting daarop;
g. een raming van de sloopkosten van het betrokken gebouw;
h. een raming van de apparaatskosten welke direct kunnen worden toegerekend aan de verwerving en de sloop van het betrokken gebouw;
i. een raming van de onderhoudskosten beheer bouwkundige eenheid die betrekking heeft op de eerstvolgende onderhoudsperiode van twee jaar en die, indien de aanvraag wordt goedgekeurd, vanaf het einde van de eerste onderhoudsperiode, elke twee jaar voor de daarop volgende onderhoudsperiode ter goedkeuring bij de minister wordt ingediend;
j. een afschrift van het bestemmingsplan van de gemeente dat, voor zover het betreft het betrokken gebouw, met het Luchthavenindelingbesluit Schiphol in overeenstemming is gebracht.
2. De minister wijst jaarlijks de deskundigen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, aan en stelt de betrokken gemeenten in kennis van de aanwijzing. De eerste aanwijzing vindt uiterlijk een maand na de inwerkingtreding van dit besluit plaats.
a. de datum van de aanvraag;
b. de naam van de betrokken gemeente;
c. een korte omschrijving van het betrokken gebouw, bestaande uit een aanduiding van de plaatselijke en kadastrale bekendheid en de eigendoms- en gebruikssituatie daarvan;
d. een taxatierapport met betrekking tot het betrokken gebouw opgesteld door drie niet-ambtelijke deskundigen met een raming van: 1°. de verwervingskosten,
2°. de restwaarde van de ondergrond van het betrokken gebouw na de sloop daarvan,
3°. de vergoeding van de onderhoudskosten beheer ondergrond;
1°. de verwervingskosten,
2°. de restwaarde van de ondergrond van het betrokken gebouw na de sloop daarvan,
3°. de vergoeding van de onderhoudskosten beheer ondergrond;
e. een rapport van het milieutechnisch bodemonderzoek ter plaatse van het betrokken gebouw met een overzicht van de kosten van dat milieutechnisch bodemonderzoek;
f. een vermelding van te maken afspraken omtrent het mogelijke voortgezette gebruik na verwerving van het betrokken gebouw met een toelichting daarop;
g. een raming van de sloopkosten van het betrokken gebouw;
h. een raming van de apparaatskosten welke direct kunnen worden toegerekend aan de verwerving en de sloop van het betrokken gebouw;
i. een raming van de onderhoudskosten beheer bouwkundige eenheid die betrekking heeft op de eerstvolgende onderhoudsperiode van twee jaar en die, indien de aanvraag wordt goedgekeurd, vanaf het einde van de eerste onderhoudsperiode, elke twee jaar voor de daarop volgende onderhoudsperiode ter goedkeuring bij de minister wordt ingediend;
j. een afschrift van het bestemmingsplan van de gemeente dat, voor zover het betreft het betrokken gebouw, met het Luchthavenindelingbesluit Schiphol in overeenstemming is gebracht.
2. De minister wijst jaarlijks de deskundigen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, aan en stelt de betrokken gemeenten in kennis van de aanwijzing. De eerste aanwijzing vindt uiterlijk een maand na de inwerkingtreding van dit besluit plaats.