BWBR0015293
Geldig vanaf 2003-08-10
Artikel 5
Beleidsregel waterdichte afsluiting van dekopeningen van vissersvaartuigen
1. Indien een vaartuig is voorzien van een bak waarvan de lengte meer dan 15% maar minder dan 30% van de lengte van het vaartuig bedraagt, is de bak afgesloten door middel van een waterkerend schot van staal of gelijkwaardig materiaal.
2. Het waterkerend schot mag tot een afstand van ten hoogste 10% van de lengte van het vaartuig uit het einde van de bak worden aangebracht.
3. De toegangsopeningen in het waterkerende schot zijn ten minste afsluitbaar door middel van niet-waterdichte deuren of luiken die van staal of gelijkwaardig materiaal zijn en die bij voorkeur naar buiten toe opendraaien.
4. In het waterkerende schot mogen openingen worden aangebracht voor het doorvoeren van een opvoerband die naar een in de bak geplaatste vissorteerinstallatie leidt. Deze doorvoeropeningen zijn zo hoog mogelijk boven het werkdek op hart schip aangebracht en zijn zo goed mogelijk waterkerend afsluitbaar.
5. Het waterkerende schot moet in de zijden, ter plaatse van de dekgoten, zijn voorzien van spuigaten met een oppervlakte van ten minste 30 cm 2per zijde.
6. Aan het afvoeren van spoelwater en visafval vanuit de visverwerkingsruimte in een niet-waterdicht afgesloten bak of bovenbouw wordt op de volgende of daaraan gelijkwaardige wijze uitvoering gegeven:
a. voor het afvoeren van visafval is slechts één stortkoker aangebracht;
b. als afsluitmiddel voor de stortkoker is aangebracht: - een vast aangebracht scharnierend deksel op de binnenboord opening,
- een vanaf het dek bedienbare schuifafsluiter op de buitenboord opening dan wel een goed bereikbare terugslagklep op de buitenboord opening die bij vervuiling gemakkelijk kan worden schoongemaakt;
- een vast aangebracht scharnierend deksel op de binnenboord opening,
- een vanaf het dek bedienbare schuifafsluiter op de buitenboord opening dan wel een goed bereikbare terugslagklep op de buitenboord opening die bij vervuiling gemakkelijk kan worden schoongemaakt;
c. het spoelwater en klein visafval wordt vanaf het dek van de visverwerkingsruimte via spuiopeningen in het eindschot van de bovenbouw naar buiten geloosd.
2. Het waterkerend schot mag tot een afstand van ten hoogste 10% van de lengte van het vaartuig uit het einde van de bak worden aangebracht.
3. De toegangsopeningen in het waterkerende schot zijn ten minste afsluitbaar door middel van niet-waterdichte deuren of luiken die van staal of gelijkwaardig materiaal zijn en die bij voorkeur naar buiten toe opendraaien.
4. In het waterkerende schot mogen openingen worden aangebracht voor het doorvoeren van een opvoerband die naar een in de bak geplaatste vissorteerinstallatie leidt. Deze doorvoeropeningen zijn zo hoog mogelijk boven het werkdek op hart schip aangebracht en zijn zo goed mogelijk waterkerend afsluitbaar.
5. Het waterkerende schot moet in de zijden, ter plaatse van de dekgoten, zijn voorzien van spuigaten met een oppervlakte van ten minste 30 cm 2per zijde.
6. Aan het afvoeren van spoelwater en visafval vanuit de visverwerkingsruimte in een niet-waterdicht afgesloten bak of bovenbouw wordt op de volgende of daaraan gelijkwaardige wijze uitvoering gegeven:
a. voor het afvoeren van visafval is slechts één stortkoker aangebracht;
b. als afsluitmiddel voor de stortkoker is aangebracht: - een vast aangebracht scharnierend deksel op de binnenboord opening,
- een vanaf het dek bedienbare schuifafsluiter op de buitenboord opening dan wel een goed bereikbare terugslagklep op de buitenboord opening die bij vervuiling gemakkelijk kan worden schoongemaakt;
- een vast aangebracht scharnierend deksel op de binnenboord opening,
- een vanaf het dek bedienbare schuifafsluiter op de buitenboord opening dan wel een goed bereikbare terugslagklep op de buitenboord opening die bij vervuiling gemakkelijk kan worden schoongemaakt;
c. het spoelwater en klein visafval wordt vanaf het dek van de visverwerkingsruimte via spuiopeningen in het eindschot van de bovenbouw naar buiten geloosd.