BWBR0015293
Geldig vanaf 2003-08-10
Artikel 3
Beleidsregel waterdichte afsluiting van dekopeningen van vissersvaartuigen
1. De lengte van de bak wordt gemeten van het voorste punt van de bak, gelegen op hart schip op de aansnijding van het bakdek met de voorsteven, tot aan het 'einde' van de bak.
2. Bij een bak waarvan de zijden uitsluitend worden gevormd door de zijbeplating van het vaartuig, moet worden gerekend dat het einde van de bak ligt op het punt waar de zijbeplating is opgetrokken tot een hoogte die de vereiste verschansingshoogte met 750 mm overschrijdt of tot het niveau van het bakdek, indien dit laatste lager is.
3. Bij een bak waarvan de zijden vanaf het hoogste punt eerst worden gevormd door de zijbeplating van het vaartuig en vervolgens worden voortgezet in de vorm van langsscheepse schotten die op een bepaalde afstand uit de zijde van het vaartuig zijn geplaatst, ligt het einde van de bak op een afstand 'S' gemeten uit het voorste punt van de bak, waarbij S = l - b1a/b2 volgens onderstaande figuur:
2. Bij een bak waarvan de zijden uitsluitend worden gevormd door de zijbeplating van het vaartuig, moet worden gerekend dat het einde van de bak ligt op het punt waar de zijbeplating is opgetrokken tot een hoogte die de vereiste verschansingshoogte met 750 mm overschrijdt of tot het niveau van het bakdek, indien dit laatste lager is.
3. Bij een bak waarvan de zijden vanaf het hoogste punt eerst worden gevormd door de zijbeplating van het vaartuig en vervolgens worden voortgezet in de vorm van langsscheepse schotten die op een bepaalde afstand uit de zijde van het vaartuig zijn geplaatst, ligt het einde van de bak op een afstand 'S' gemeten uit het voorste punt van de bak, waarbij S = l - b1a/b2 volgens onderstaande figuur: